(Volkskrant 3 december 2011)

Geen reden voor groen optimisme

MICHAEL PERSSON

VVD’ers als Ed Nijpels en Mark Rutte maakten zich jaren geleden grote zorgen over het broeikaseffect. Maar anno 2011 is vrijblijvendheid troef.

‘Alleen een grootschalige koersombuiging kan de toename van CO2 in de atmosfeer effectief verminderen. Maar door de grote belangen die [ermee] gemoeid zijn, is een gemeenschappelijk beleid niet binnen handbereik, zo dat ooit mogelijk lijkt.’

Dit is al 25 jaar geleden geschreven door een Haagse ambtenaar. ‘Het CO2-probleem’ was een van de dossiers die de VVD’er Ed Nijpels op zijn bureau aantrof toen hij als nieuwe minister van milieu aantrad in het tweede kabinet-Lubbers. De woorden zijn nog onverkort geldig. In Het groene optimisme probeert Wijnand Duyvendak, voormalig Kamerlid van GroenLinks, dat (gebrek aan) beleid te reconstrueren. Nijpels begint voortvarend. In het rapport Zorgen voor Morgen worden energiebesparing en een verbod op nieuwe kolencentrales bepleit om de uitstoot van broeikasgassen te beperken. In 1989 wordt in Noordwijk zelfs de eerste klimaattop aller tijden georganiseerd. ‘Nederland loopt voorop in Europa’, constateert Duyvendak.

Maar niet voor lang. In zijn volgende kabinet krabbelt Lubbers terug voor de consequenties van broeikasbeleid, en vervolgens is het thema ook niet aan zijn opvolger Wim Kok besteed. Na het Kyoto-akkoord in 1997 verslapt de aandacht voor het klimaat verder.

Met de documentaire An Inconvenient Truth van Al Gore keert de belangstelling terug, in 2007. Interessant genoeg zijn het opnieuw juist rechtse politici als Jan Peter Balkenende (CDA) en Mark Rutte (VVD) die zich laten meeslepen. Premier Balkenende schrijft met zijn Britse collega Blair een brief aan hun Europese vrienden. ‘Er zijn nog tien tot vijftien jaar voordat de wereld catastrofale keerpunten overschrijdt. We moeten handelen.’

Rutte zegt over het klimaat: ‘Dit is zo belangrijk dat we het niet aan de linkse partijen kunnen overlaten.’

Deze tweede klimaatgolf duurt niet lang. Balkenende en Rutte draaien 180 graden. Subsidiekranen worden dichtgedraaid, het ministerie van VROM wordt opgelost in zijn aartsvijanden Economische Zaken en Verkeer en Waterstaat, en de nieuwe CDA-leider Maxime Verhagen durft in 2011 zelfs te beweren dat het milieu een links, ‘antikapitalistisch’ thema is. Waarmee hij niet alleen het Nederlandse verleden negeert, maar ook de ontwikkelingen in Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, waar rechtse regeringen een donkergroen beleid voeren of hebben gevoerd.

Duyvendak schrijft het allemaal soepel op: hij heeft diep in archieven gegraven en met een aantal hoofdpersonen gesproken. Helaas gaat daarbij zijn voorkeur uit naar milieumensen; juist de ministers van Economische Zaken, de werkgevers, de Ruttes en Verhagens, komen niet direct aan het woord.

Duyvendaks conclusie is dat de gehoopte en noodzakelijke omwenteling niet is gekomen, omdat de politiek te veel heeft vertrouwd op (vrijwillig) goed gedrag van burgers en bedrijven. Het is nu tijd voor normen, verplichtingen, voorschriften. Omdat het klimaatdebat ‘in essentie een moreel debat is, dat door de politiek op een democratische wijze beslecht moet worden’. Daarom pleit hij voor ‘ecologische politisering’: de politiek moet hardere keuzes maken. Grappig genoeg is dat precies datgene wat gebeurd is. Alleen zijn het niet de keuzes die Duyvendak zou hebben gemaakt.

****

Wijnand Duyvendak: Het groene optimisme – Het drama van 25 jaar klimaatpolitiek.

Uitgeverij Bert Bakker; 360 pagina’s; € 29,95.

ISBN 978 90 351 3709 7.

__________________________________________________________________

(Bureau de Helling  – 3 april 2012)

Katinka Eikelenboom

Is er werkelijk reden tot groen optimisme, of stevenen we af op nog eens 25 jaar drama in de klimaatpolitiek? Wijnand Duyvendak schetst de contouren voor een klimaatbeleid dat wel effectief is.

Donkere wolken en een kale, eenzame boom die door de bliksem lijkt te zijn getroffen sieren de omslag van het boek. Het contrast met de vrolijke neongroene letters van de titel ‘Het groene optimisme’, kan haast niet groter zijn. Wanneer we dan de ondertitel, in bloedrode kapitalen, lezen, is de verwarring compleet: ‘Het drama van 25 jaar klimaatpolitiek’. Wat wil Wijnand Duyvendak (2011) ons duidelijk maken?

‘Wat ging er de afgelopen decennia mis, en hoe is het tij de komende decennia nog te keren?’, staat op de achterflap van het boek. Duyvendak wil via een historische analyse, die de eerste pakweg 300 pagina’s van zijn boek beslaat, licht werpen op hoe het dan wel moet: klimaatverandering effectief aanpakken.

Nauwgezet beschrijft hij hoe ‘het klimaat’ eind jaren tachtig prominent op de agenda wordt gezet, hoe het daar weer geruisloos van verdween en wie daarin een rol speelden. Het is een van de dingen uit het boek die mij zeker zullen bijblijven: er waren good cops en bad cops en lang niet altijd voor de hand liggende. Zo speelden VVD’ers als Ed Nijpels en Pieter Winsemius, gesteund door CDA-premier Lubbers, glansrollen bij het adresseren van het klimaatprobleem. Terwijl Alexander Rinnooy-Kan, tegenwoordig D66-prominent en populair in linkse en rechtse kringen, als voorzitter van VNO/NCW de aanpak van klimaatverandering danig frustreerde. Daarmee valt hij wat mij betreft van zijn progressieve voetstuk af. Maar het drama van 25 jaar klimaatpolitiek kan uiteraard niet volledig op het conto van Rinnooy-Kan worden geschreven.

Wat ging er mis?

De start van de klimaatpolitiek in Nederland begon zo hoopvol. We lopen internationaal voorop en zoals gezegd waren het politici van rechtse partijen die het issue naar voren schoven. Het duurde even, maar toen er kwam een krachtige lobby op gang vanuit de energie-intensieve industrie, die kon rekenen op onvoorwaardelijke steun van de koepel van het Nederlandse bedrijfsleven VNO/NCW en het Ministerie van Economische Zaken. Dit leidt ertoe dat de ambitieuze doelstellingen voor energiebesparing van VROM een zachte dood sterven in boterzachte convenanten van de industrie (‘wij verplichten onszelf ons best te doen energie te besparen’). Het neoliberale tij van de jaren tachtig en negentig helpt evenmin om te komen tot heffingen en harde eisen aan CO2-uitstoot van bedrijven.

Er wordt daarnaast te weinig geïnvesteerd in duurzame vormen van energie, noch wordt werk gemaakt van energiebesparing van huishoudens. Klimaatbeleid mag niets kosten en er komt dus niet veel van de grond. ‘Klimaat’ blijkt bovendien als issue moeilijk te verkopen aan het publiek. Het is abstract, ongrijpbaar en niet zichtbaar. Milieuorganisaties en overheid worstelen met de manier waarop ze het probleem onder de aandacht kunnen brengen en na de eerste schrik eind jaren tachtig, verslapt in de jaren negentig dan ook de publieke aandacht voor de klimaatverandering.

Pim Fortuyn, die in 2002 het politieke speelveld betreedt, spreekt een grote groep mensen aan met uitspraken als: ‘Ik geloof dat hele CO2 verhaal niet. En bovendien: hoe erg is het nu dat de aarde opwarmt?’ (p. 162). Het klimaatprobleem en het milieudebat in het algemeen worden onderdeel van een links-rechts polarisatie. Als je rechts bent moet je niets hebben van milieumaatregelen, ben je links dan kun je er geen genoeg van krijgen. Er sijpelen steeds meer klimaatsceptische geluiden door in het publieke debat. Onzekerheden in de wetenschappelijke kennis over klimaatverandering worden opeens aangegrepen om niet in te grijpen, in tegenstelling tot eind jaren tachtig toen de politiek vond dat er meer dan voldoende aanleiding was tot handelen, onzekerheden of niet.

In het Nationaal Milieubeleidsplan uit 1989 dat onder de verantwoordelijkheid van Minister Nijpels werd geschreven, werd nog gepleit voor 25 procent reductie in 2010. De realiteit is dat de CO2– uitstoot in Nederland tussen 1990 en 2010 met 15 procent is toegenomen.

Hoe nu verder?

De laatste veertig pagina’s van zijn boek wijdt Duyvendak aan ‘de uitgangspunten van een effectieve klimaatpolitiek’. Hier zou de basis moeten liggen voor het groene optimisme van de auteur, maar echt optimistisch zou ik dit laatste deel niet willen noemen. Eerder voorzichtig zoekend, realistisch en met soms tegenstrijdige signalen over wat ons te doen staat.

Dat wordt waarschijnlijk deels veroorzaakt door het uitgangspunt dat Duyvendak als eerste naar voren brengt, namelijk dat een effectieve klimaataanpak veelzijdig moet zijn. We moeten alle registers opentrekken om iets te kunnen bereiken, op alle paarden wedden. Want zo moeilijk is het om iets te veranderen.

Dat moeizame komt terug in een aantal van de uitgangspunten die Duyvendak noemt. Wetenschappers moeten zich mengen in het publieke debat met hun alarmistische boodschappen, om zo een gevoel van urgentie te creëren. Maar aan de andere kant moeten de politiek en de wetenschap volgens Duyvendak wel hun eigen rol spelen. Het IPCC, de gezaghebbende internationale club van klimaatwetenschappers, heeft in 2010 veel reputatieschade geleden toen er foutjes in het rapport bleken te staan die stuk voor stuk het klimaatprobleem erger deden doen lijken. Niet zo gek dat toen werd geroepen dat het IPCC gepolitiseerd was. Het door elkaar heenlopen van wetenschap en politiek is onvermijdelijk, maar heeft in het klimaatdebat zeker niet alleen goeds gedaan. Ik vraag me daarom af of het verstandig is om klimaatwetenschappers op te roepen alarm te slaan.

Een ander punt waar Duyvendak mee lijkt te worstelen is in hoeverre mensen mogen worden aangesproken op hun waardenpatroon en bijbehorend gedrag. Aan de ene kant zegt hij te kiezen voor een pragmatische aanpak, want wie eerst het systeem of de mens wil veranderen verliest teveel tijd en belandt in een moeras. Dus moeten we blijven investeren in technologische innovatie, ook al gelooft hij niet in een technological fix. Maar aan de andere kant komt hij met een voorstel voor een moreel kompas, waarin solidariteit en compassie de kernwaarden zijn. De huidige houding van mensen is volgens Duyvendak asociaal, dus een nieuwe waardeoriëntatie is noodzakelijk. Hij hoopt dat een duurzaam en energiezuinig bestaan de nieuwe sociale norm wordt. Alleen, hoe krijg je dat voor elkaar als je mensen niet denkt te kunnen veranderen?

Misschien zit de angel in de wijze waarop je mensen aanspoort tot een andere houding. Duyvendak gaat hier niet expliciet op in, maar pleit wel voor hetnudgen van mensen in een bepaalde (duurzame) richting. Hij noemt het ‘keuzes regisseren’ en stelt dat via politieke interventies mensen andere keuzemogelijkheden moeten worden geboden. Let wel, andere keuzes, niet minder, zo benadrukt hij. Hier proef ik een bij (Groen)Links wijdverbreide angst om te worden weggezet als paternalist die het waagt om mensen in hun keuzevrijheid te beperken. Het is de vraag of de vrijheid van mensen niet meer gediend is bij iets minder en duurzamere keuzes, maar Duyvendak lijkt ver weg te willen blijven van deze discussie (zie voor meer hierover het boek ‘Vrijzinnig paternalisme. Naar een groen en links beschavingsproject‘).

Waar ik Duyvendak helemaal gelijk in geef is zijn nadruk op de noodzaak tot politiek ingrijpen om echte stappen te kunnen zetten in de aanpak van het klimaatprobleem. De duurzame ‘wij-doen-het zelvers’ en ondernemers zijn heel belangrijk, maar zij gaan niet eigenhandig zorgen voor een grote doorbraak in energiebesparing of CO2-reductie. Dus moet de politiek weer, net als 25 jaar geleden, leiderschap tonen in het klimaatdebat. Daarvoor is uiteraard een maatschappelijk draagvlak nodig, dus moeten gemeenten vooral doorgaan met klimaatneutraal worden, Urgenda met zonnepanelen inkopen voor particulieren en de milieuorganisaties met initiatieven als warme truiendag en Earth Hour.

‘De komende tien jaar is alles mogelijk’, besluit Duyvendak’s zijn boek. Maar de volgende uitspraak van oud PvdA-leider Wouter Bos (uit 2006), die tevens op de achterflap prijkt, doet misschien meer recht aan de boodschap van het boek: ‘De toekomst zal groen zijn of zal niet zijn.’

___________________________________________________________________

(Milieu – VVM)

De neerwaardse golfbeweging van het Nederlandse klimaatbeleid

februari 2012 – Egbert Tellegen

In December 2009 reist Wijnand Duyvendak in de speciale Kopenhagen Express terug naar Nederland. De verwachtingen van de klimaatconferentie die daar plaats vond waren vóóraf tot ongekende hoogte opgestuwd, maar na afloop restte slechts de kater van het uitblijven van resultaten. Duyvendak vraagt zich af wat er mis is gegaan sinds klimaatverandering op de politieke agenda’s kwam te staan. Zelf was hij als activist bij Milieudefensie en als kamerlid voor Groenlinks bij de ontwikkeling van het klimaatbeleid betrokken. Nu besluit hij om afstand te nemen en onderzoek te gaan doen, met als resultaat zijn onlangs verschenen boek ‘Het groene optimisme’. ‘Kopenhagen’ is niet door ‘Den Haag’ mislukt, maar toch gaat het boek uitsluitend over Nederlands klimaatbeleid en laat het activiteiten van de Europese Unie en andere internationale ontwikkelingen buiten beschouwing. Belangrijke bronnen van informatie  waren de archieven van milieuorganisaties en 18 interviews met  klimaatwetenschappers, ambtenaren van het voormalige ministerie van VROM en 5 oud ministers en 1 staatsecretaris die eens verantwoordelijk waren voor het milieubeleid.

Het klimaatbeleid is in de afgelopen 25 jaar aan een golfbeweging onderhevig geweest. In die beweging waren er twee pieken. De eerste vond plaats tussen 1987 en 1989 en de tweede tussen 2006 en 2009. De grootste kracht van dit boek is de manier waarop met behulp van interviews met betrokkenen een beeld wordt geschetst van het krachtenveld achter de op en neer gaande beleidsurgentie van het klimaatvraagstuk. Daarbij was niet alleen de rol van de milieuminister maar ook die van de minister president van grote invloed. Premier  Lubbers was bij de eerste klimaatgolf een grote steun voor milieuminister Nijpels, maar later, toen de tegenkrachten sterker werden, was hij dat niet voor minister Alders. Premier Kok is nooit een milieuman geweest en de milieuministers de Boer en Pronk werden door hem niet gesteund. Toen iemand tegen hem zei dat hij een man van staal en beton was zei hij: ‘Daar krijg ik inderdaad een goed gevoel bij, dat is gemaakt, dat kun je aanraken’.

Als een rode draad loopt door het boek de tegenstelling tussen de voormalige ministeries van milieu (VROM) en van economische zaken (EZ). Als de grootste dwarsligger bij EZ komt de tegenwoordige voorzitter van Natuurmonumenten Hans Wijers naar voren. Bij het Verbond van Nederlandse ondernemers (VNO) was voorzitter Alexander Rinnooy Kan zo’n notoire dwarsliggen. EZ was voor, op basis van vrijwilligheid overeengekomen, convenanten terwijl VROM voor dwingende regels en heffingen was. Het is overigens interessant dat in een tijd van grote consensus over de ernst van de milieuproblematiek, zoals aan het einde van de jaren tachtig, convenanten wel effectief waren, maar in een tijd waarin die consensus ontbrak niet meer.

Opvallend is dat de georganiseerde milieubeweging bij het klimaatbeleid een betrekkelijk ondergeschikte rol speelde. Bij de eerste klimaatgolf werd ze dwars gezeten door de angst dat het klimaatvraagstuk gebruikt zou worden om toepassing van kernenergie te bevorderen. Bij de tweede piek werd ze voorbijgestreefd door een grote variëteit van activiteiten van ‘duurzame wij-doen-het zelvers’. Milieuminister Cramer, oud voorzitter van Milieudefensie, maar ook een van de eersten die met bedrijven ging samenwerken, was ook meer een exponent van die nieuwe ontwikkeling dan van de bestaande milieuorganisaties.

Een steeds weer terugkerend thema is dat milieuorganisaties hun ideologische veren moesten afschudden om een rol van betekenis te kunnen spelen. Dat begon al in de jaren zeventig toen de kritiek op de kapitalistische economie en het daaraan inherente streven naar economische groei moest plaatsmaken voor het streven naar ecologische modernisering, en later naar duurzame ontwikkeling, waarin economische groei en milieubescherming samengaan.

Cijfers laten zien dat er van de doelstellingen van het Nederlandse klimaat in 25 jaar weinig terecht is gekomen. De nagestreefde  stabilisering,  laat staan daling, van de CO2 emissies is niet bereikt. Tussen 1990 en 2010  is de CO2 uitstoot gestegen van  159 megaton tot 182 megaton. Bovendien is er van de eens bestaande consensus over de urgentie van de milieuproblematiek niets meer over. Wat lijkt het lang geleden dat de VVD minister van verkeer en waterstaat, Neelie Smit-Kroes, uitriep: ‘Plompverloren asfalt uitstorten over Nederland heeft geen zin meer. De struisvogel die over enkele jaren zijn hoofd weer uit het zand haalt, zal dan merken omringd te zijn door een walmende stinkende blikmassa’.

Zwak is het boek als het over de periode gaat die aan de onderzochte 25 jaar voorafging. Zo wordt de Club van Rome ‘een samenwerkingsverband van milieudeskundigen’ genoemd. Maar dat is dit gezelschap van prominente lieden uit wetenschap en bedrijfsleden nooit geweest. Ook wordt ten onrechte de boodschap van het rapport van de Club van Rome gelijkgesteld aan het signaal dat bijna twee jaar later van de oliecrisis uitging. Als gevolg van die crisis werd het idee van ‘grenzen aan de groei’ verengt tot het verschijnsel  olieschaarste dat bovendien weer voorbij ging.

Een belangrijker bezwaar betreft hetgeen Duyvendak over de maatschappelijke context van het milieubeleid schrijft. Hij levert terecht kritiek op het idee van ecologische modernisering als dat neerkomt op de gedachte dat milieuproblemen buiten de overheid om door de zelfwerkzaamheid van burgers kunnen worden opgelost. In plaats daarvan is ecologische politisering volgens hem onmisbaar. Maar van enige kritiek op de maatschappelijke context van die politieke ecologisering is bij hem geen sprake. We moeten af van de grote verhalen en de kapitalistische economie net zo goed aanvaarden als de democratie. Hij staat daarmee niet alleen. Van milieuorganisaties wordt ook in tijden van economische crisis vrijwel niets vernomen van kritiek op de vigerende economische orde. Maar die economische orde is van grote invloed op het energiegebruik en de daardoor veroorzaakte klimaatverandering. Daarover zwijgen is handelen als een hartchirurg die niets wil weten van de algehele lichamelijke toestand van een te opereren patiënt omdat hij geen boodschap heeft aan de holistische verhalen van een internist. Gewoon pragmatisch het mes erin zetten en verder geen gezeur. Ik denk dat Duyvendaks eigen radicale verleden hem hier dwars zit. Maar zijn boek wordt er niet minder interessant door. Het biedt een soms fascinerende kijk achter de schermen, het stimuleert tot nadenken en nodigt uit tot tegenspraak. Wat wil je als lezer nog meer?

Egbert Tellegen

Egbert Tellegen (e.tellegen@uu.nl) is docent sociologie en milieu aan de Universiteit Utrecht. In 2010 publiceerde  hij bij Amsterdam University Press het boek ‘Groene herfst. Een halve eeuw milieu’.

_________________________________

Down to Earth Magazine/Milieudefensie

15 december 2011 – Annemarie Opmeer

Ja, dat nieuwe probleem, het ‘broeikaseffect’… Beste mensen in de politiek, er moet toch ?ht geld komen voor onderzoek naar dit milieuonderwerp. Want als het verbranden van fossiele brandstoffen zulke gevaren met zich mee brengt, dan moeten we misschien denken over CO2-vrije alternatieven. Zoals kernenergie. Vond de kernenergie-lobby. En de door hen aangesproken bewindslieden met hen.

Jawel, toen vanaf 1986 het broeikaseffect, dat toen nog het ‘koolzuurprobleem’ werd genoemd, de politiek bereikte, was het helemaal geen ‘fabeltje van links’. Sterker nog, milieuclubs waren terughoudend met het oppakken van dit ‘rechtse’ onderwerp. Dit is een van de boeiende dingen die duidelijk worden als Wijnand Duyvendak het klimaatbeleid in Nederland onder de loep neemt. Eigenlijk is het verhaal van het klimaatbeleid exemplarisch voor de manier waarop milieu in het verdomhoekje is geraakt.

Duyvendak vertelt de pijnlijke geschiedenis van hoe klimaat ooit voortvarend door de Nederlandse politiek werd opgepakt, maar langzaam maar zeker een taboe-onderwerp werd. Hoe klimaatverandering eerst te onbegrijpelijk was, en daarna te groot om aan te pakken. Hoe eerst de politiek wilde en de bedrijven niet, en daarna de bedrijven wel, maar de politiek niet. Dat het onderwerp eerst rechts was, en toen links. Hij laat zien dat enkele personen een enorm verschil hebben gemaakt, wat de kwalijke rol van VNO-NCW was en wat de milieubeweging anders had kunnen doen. Wat er mis ging dat VROM nu niet meer bestaat, en hoe de vondst van de gasbel onder Slochteren funest was voor de ontwikkeling van duurzame energie. Ook verfrissend: Duyvendak bekritiseert het groene gehalte van zijn eigen partij, GroenLinks.

Dit boek moest geschreven worden, want dat het er nog niet was, is eigenlijk al verwonderlijk. Het is verplichte kost voor iedereen die zich met klimaatbeleid bezig houdt. Toch maakte zich halverwege een soort moeheid van me meester. Weer een politiek besluit, een rapport, een conferentie, weer iets dat hoopvol begint, maar later misgaat. Weer een oud-politicus die nu w? wil vertellen wat hij ervan vindt. Misschien ben ik te jong of niet klimaat-gek genoeg om alle tot in detail beschreven politieke momenten te hebben meegekregen? Of misschien is het omdat ik al weet hoe het eindigt? Hoe dan ook, ik vat de boektitel op als ironie.

Toegegeven, Duyvendak doet aan het eind van het boek erg zijn best om doemdenken over de toekomst te voorkomen, door hoopvol aan te geven hoe we uit de huidige loopgravenoorlog kunnen komen. Of dat de weemoedigheid tegengaat, zal voor iedere lezer anders zijn…

_______________________________________________________________________________________________

(Volkskrant 29 november 2011 Column)

In je eentje houd je de opwarming niet tegen

PIETER HILHORST

Zouden de bewoners van de Malediven ’s avonds bidden voor Angela Merkel? Zouden de Soedanezen zich druk maken om het anti-Europese populisme van Wilders en de ware Finnen? Zouden de bewoners van de rivierdelta in Bangladesh een klein vreugdedansje hebben gemaakt vanwege de bereidheid van het IMF om Italië miljarden te lenen? Waarschijnlijk niet.

Toch is de oplossing van de eurocrisis ook voor hen van levensbelang. De politieke toekomst van Europa is namelijk bepalend voor de mogelijkheden om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden. En dat is essentieel voor Bangladesh, Soedan en de Malediven. Zij betalen de prijs voor de klimaatverandering. Bangladesh krijgt te kampen met meer overstromingen door heftige regens. Soedan met extra droogte en de Malediven dreigen te worden bedolven onder de golven van een stijgende zeespiegel.

Het verband tussen euro en klimaat is niet onmiddellijk duidelijk. Een cynicus kan zelfs het omgekeerde beweren. Als de euro ten onder gaat, stevent de wereld af op een recessie en dus op een vermindering van CO2-uitstoot. Toch vrees ik dat een ondergang van de euro rampzalig is voor de Malediven.

In zijn boek Het Groene Optimisme maakt Wijnand Duyvendak de balans op van 25 jaar klimaatbeleid. Hij trekt geen vrolijke conclusie. Er zijn veel rapporten geschreven en convenanten gesloten, maar er is weinig bereikt. De CO2-uitstoot is in Nederland tussen 1990 en 2010 met 14 procent gestegen. De grootste oorzaak is het collectieve actieprobleem. Geen land kan in zijn eentje de opwarming tegenhouden. Maar omdat internationale samenwerking zo moeilijk is, wacht elk land op andere landen. Zo blijven we in de woorden van Duyvendak ‘elkaars gevangene’.

De deze week begonnen klimaatconferentie in Durban is daarvan een pijnlijke illustratie. Europa wil alleen een verlenging van het verdrag van Kyoto als ook China en de VS zich vastleggen op een reductie van de uitstoot. Anders gebeurt er niks. Zonder internationale afspraken verschrompelt ook nationaal klimaatbeleid. Dat leidt immers al snel tot een aantasting van de concurrentiepositie. Klimaatbeleid dat ten koste dreigt te gaan van burgers of bedrijven, wordt steevast gestaakt, zo heeft Duyvendak ontdekt. En zo kan het dat na 25 jaar klimaatpolitiek nog steeds miljardensteun wordt gegeven aan fossiele brandstoffen, zoals de grootverbruikerskorting op gas voor bedrijven.

De opwarming van de aarde kan alleen worden getemperd door een complete omslag: nieuwe technologie (zon, wind, biomassa) en een andere economie. Hoe minder technologische doorbraken er komen, hoe meer het moet komen van consumptiebeperking. Wie hecht aan onze levensstijl doet er dus goed aan technologische vernieuwing te stimuleren. Duyvendak laat zien dat dit niet lukt met tijdelijke subsidies (Nederland heeft meer regelingen gehad om groene energie te steunen dan de Denen, maar met minder succes). Groene energie komt er pas als de vervuiler moet betalen. Dan leggen fossiele brandstoffen het af tegen schone energie. Maar zonder internationale afspraken leidt het principe ‘de vervuiler betaalt’ tot economische zelfverminking.

Zulke internationale afspraken over de beperking van de CO2-uitstoot zullen niet worden gemaakt in Durban. De grootste optimisten hopen dat er in 2015 alsnog een akkoord komt. Maar één ding is zeker. Als de eurozone uit elkaar klapt, is de kans op zo’n akkoord helemaal verkeken. Europa keert zich dan nog meer naar binnen. De nationale politieke verkaveling leidt eerder tot concurrentie tussen landen dan tot internationale samenwerking. Het wordt ieder voor zich en na ons de zondvloed. En voor de Malediven betekent dat letterlijk een zondvloed.

Europa staat nu symbool voor machteloosheid. De Europese leiders kunnen zelfs een urgent probleem als de eurocrisis niet oplossen. Voor de tempering van de klimaatcrisis je heil zoeken bij Europa lijkt dan ook een recept voor ellende. Maar zonder Europese samenwerking staan Europese landen nog machtelozer. En vergeleken bij multilaterale onderhandelingen lijkt Europa bijna een wonder van daadkracht. Een sterk Europa kan ook China en de VS onder druk zetten, dat lukt individuele Europese landen nooit.

De paradox is dat Europa een machteloos gevoel geeft, maar dat we zonder Europa machtelozer zijn. Het is daarom te hopen voor de inwoners van Bangladesh, Soedan en de Malediven dat de eurocrisis wordt bedwongen. Misschien moeten ze toch maar een schietgebedje prevelen voor Merkel: ‘help ons, red de euro’.

______________________________________________________________________________________

(NRC Handelsblad 24 november 2011)

Te abstract, te ver, te groot

Paul Luttikhuis |

Wijnand Duyvendak over ontmanteling klimaatbeleid

In Nederlandse beleidsnota’s is het woord klimaatverandering tegenwoordig taboe. Het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen om te voorkomen dat de aarde verder opwarmt, is niet iets waar de overheid zich op laat voorstaan. Liever gebruikt men de term duurzame energie, dat klinkt beter – en vrijblijvender – dan emissiereductie.

Dat is wel eens anders geweest, blijkt uit het vandaag verschenen boek Het groene optimisme van Wijnand Duyvendak, oud-directeur van de vereniging Milieudefensie en ex-Kamerlid voor GroenLinks. In 1979 zegt Kamerlid en scheikundige Reinier Braams (VVD) bijvoorbeeld in een debat dat hij zich zorgen maakt over ‘het koolzuurprobleem’. CDA’er Ad Lansink hoopt dat wetenschappers in de toekomst planten genetisch zo kunnen manipuleren dat ze het teveel aan CO2 uit de atmosfeer kunnen halen. In een motie van PPR en VVD wordt de regering gevraagd een standpunt in te nemen over klimaatverandering.

Volgens Duyvendak gaat het kabinet aanvankelijk voortvarend met het thema aan de slag. Nederland loopt lange tijd voorop, organiseert de eerste internationale ministersconferentie over klimaat (in Noordwijk in 1989), werkt aan nationaal beleid en lobbyt intussen in Europa voor gezamenlijke maatregelen.

Logisch, vindt Duyvendak, want de alarmerende adviezen en nota’s stapelen zich op. Maar, is zijn conclusie, het onderwerp blijft steken in die rapporten: ze ‘kunnen steeds beter aangeven hoe een duurzame energiehuishouding eruit zou kunnen zien, maar laten vaak in het midden hoe je daartoe komt’.

Voor zijn boek sprak Duyvendak met veel hoofdrolspelers. Hij las tientallen beleidsnotities en artikelen en putte uit zijn eigen ervaring in de milieuwereld. Hij is er redelijk goed in geslaagd om zijn verleden als linkse milieuactivist niet te veel te laten doorklinken, al blijkt uit de keuze van de gesprekspartners wel waar zijn voorkeur ligt. Er komen veel meer ambtenaren en bewindslieden uit de milieuhoek aan het woord dan van Economische Zaken, en meer milieuactivisten dan werkgevers.

En dat is jammer, want Duyvendak beschrijft de Haagse klimaattragedie als een ‘loopgravenoorlog’ tussen de ministeries van Milieu (dat samen met Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening het ministerie van VROM vormde) en Economische Zaken. Een strijd die in het huidige kabinet uiteindelijk is beslecht met de opsplitsing van VROM, waarbij milieu is ondergebracht als een staatssecretariaat bij Verkeer en Waterstaat.

‘VROM heeft de tekenen des tijds niet begrepen’ schreef Kamerlid Ger Koopmans (CDA), die betrokken was bij de formatie van het huidige kabinet, daarover onlangs in Binnenlands Bestuur. ‘Milieuproblemen werden aangepakt met een ingewikkelde, bijna door niemand meer te begrijpen regelbrij’. In hetzelfde blad legde topambtenaar Roel Bekker, die namens de regering de overheid saneert, uit dat VROM rond 2010 kennelijk ‘aan het einde van zijn levenscylcus was’. De ontmanteling, stelt Duyvendak, was al veel eerder begonnen. Zo werkten er in 2010 nog ongeveer 300 mensen op het ministerie, tegen zo’n 1.100 in de jaren negentig.

Duyvendak vraagt zich af hoe het zover kon komen. Wat is er gebeurd met de waarschuwing in het rapport Zorgen voor morgen (1988), dat zonder vergaande emissiereductie ‘grootschalige ontwrichting van de mondiale biosfeer dreigt’? Wie herinnert zich nog de opmerking van koningin Beatrix in haar kersttoespraak in datzelfde jaar: „Langzaam sterft de aarde en wordt het onvoorstelbare – het einde van het leven zelf – tóch voorstelbaar?”

Op dat moment was de belangstelling voor klimaat op een hoogtepunt. Maar intussen kampte Nederland met een economische crisis en leek klimaatverandering ineens een luxeprobleem, dat best even kon wachten.

Zo ging het steeds. Eerst was klimaatverandering te abstract, toen te ver weg en uiteindelijk te groot voor een gemakkelijke oplossing. En bij klimaatverandering bestaan geen maatregelen met snel resultaat, zoals bij zure regen of fijnstof. Toen de overheid iets wilde, trapte het bedrijfsleven op de rem. En nu bedrijven willen, durft de overheid niet meer. Individuele burgers willen wel, maar niet ten koste van hun consumptiepatroon. Milieuorganisaties wijzen fossiele brandstoffen af, maar hebben geen overtuigend alternatief.

In die patstelling heeft het klimaat het onderspit gedolven. Triomfantelijk noemde minister van Economische Zaken Maxime Verhagen (CDA) het een paar maanden geleden de schuld van linkse organisaties dat het milieu is ‘verworden tot een moralistische stok om ondernemers, boeren en bedrijven mee te slaan die hun boterham proberen te verdienen’. Duyvendak laat zien hoe onzinnig die redenering is. Veel milieuorganisaties werken al jaren samen met multinationals om broeikasgassen te reduceren, ze hebben hun anti-kapitalisme al lang laten varen. Het is zoals oud-minister van Milieu Ed Nijpels (VVD) tegen Duyvendak zegt: ‘De pech voor het milieu is dat het wordt gezien als links.’

______________________________________________________________

(De Pers, 17 januari 2012)

Een probleem dat te groot blijkt te zijn voor Den Haag

Marcel Hulspas

Als het om het milieu gaat, heeft ons land zich de afgelopen jaren in rap tempo ontwikkeld tot de curieuze uitzondering van Noordwest-Europa.

Natuur- en milieubeleid wordt in ons land alom luchtig afgeschilderd als een ‘linkse hobby’. Niet alleen door de PVV; ook minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI), noemde het oude milieubeleid ooit ‘een moralistische stok om ondernemers, boeren en bedrijven mee te slaan’. Het moest in zijn ogen afgelopen zijn met wetten en regels. Net als in de Verenigde Staten is ook hier actief milieubeleid in rechtse kring synoniem geworden met ‘socialisme’. En dat terwijl vroeger juist de VVD, onder aanvoering van Ed Nijpels en Pieter Winsemius, dé grote motor was achter een streng milieubeleid.

Nederland is daarmee binnen Noordwest-Europa een grote uitzondering. Groot-Brittannië heeft sinds een paar jaar een wet die de uitstoot van CO2 drastisch terug gaat dringen. Gesteund door álle partijen. Duitsland heeft, van links tot rechts, al lang geleden ja gezegd tegen groene stroom en neemt ook afscheid van kernenergie. En ga zo maar door. Nederland heeft inmiddels een milieubeleid zonder enige betekenis. Ooit liepen we voorop; inmiddels lopen we hopeloos achter.

Wat ging er mis? Dat is de centrale vraag van Het groene optimisme van oud-politicus Wijnand Duyvendak. Als medewerker van Milieudefensie, en later als Kamerlid voor GroenLinks, kon hij van dichtbij meemaken hoe het milieubeleid roemloos ten onder ging. Duyvendak reconstrueert de opkomst en ondergang van de klimaatdiscussie in en om Den Haag aan de hand van lange citaten van de voornaamste spelers. Het beeld dat daaruit oprijst, stemt allesbehalve vrolijk. Het broeikasprobleem blijkt simpelweg te groot voor onze dorpspolitiek. ‘Het overstijgt de vierjarige politieke cyclus’, schrijft hij. Maar dat geldt voor andere landen net zo goed. Het probleem is dat ons land naast de vierjarige geen andere cyclus lijkt te kennen. Er is geen langetermijnvisie.

Niks voor Kok

De teloorgang startte onder het kabinet-Kok. De opeenvolgende ministers van VROM produceerden indrukwekkende nota’s, maar als het om maatregelen ging, moesten ze het hebben van de goedheid van hun collega’s. Die gaven zelden thuis, tenzij ze onder druk werden gezet door de minister-president. Ed Nijpels kon rekenen op de steun van Ruud Lubbers. Maar de ‘linkse’ Wim Kok zag niks in het milieu. Kok wilde banen scheppen en legde zijn oor te luister bij de werkgevers en bij lobbygroepen als ‘Nederland Distributieland’. Daarna was er de moord op Pim Fortuyn, en daarmee raakte de vaderlandse politiek volstrekt stuurloos. Wat nodig was, en wat elders goed werd begrepen, was een integraal energie- en klimaatbeleid voor de lange termijn. Zoiets vereist een gemeenschappelijke visie en de moed om gevestigde belangen te trotseren. Beide ontbraken.

In de strijd om het energiebeleid ging VROM uiteindelijk roemloos ten onder tegenover Economische Zaken, dat inmiddels ook andere ‘milieugevoelige’ beleidsterreinen heeft opgeslokt, en alle regulering afwijst. Duyvendak had de Kamer toen overigens al verlaten. In die Kamer is de aandacht voor natuur en milieu inmiddels zo goed als nihil.

Duyvendak, heeft zijn ‘groene optimisme’ nu gevestigd op wat hij noemt de ‘wij-doen-het-zelvers’, de denkers en ondernemers die geen zin hebben om te wachten op de politiek, maar zélf groen aan de slag gaan. Zij geven nu de toon aan, zegt Duyvendak. Wellicht. Maar dan bij gebrek aan een beter, krachtiger geluid vanuit Den Haag. Duyvendak weet dat er veel méér nodig is om klimaatverandering te keren. En dat de kans daarop uiterst is klein. Hij kon met eigen ogen meemaken hoe het Nederlands milieubeleid vastliep, en te gronde ging. Het probleem bleek te groot voor de politiek.

______________________________________________________________________________________

Nederlandse klimaatbeleid in het slop

(Reformatorisch Dagblad 8 december 2011)

Bart van den Dikkenberg

De beloften, gedaan in het Kyotoprotocol, om de uitstoot van broeikasgassen te beperken, hebben in Nederland nauwelijks geleid tot een stevig klimaatbeleid. Hoe komt het dat Nederland inmiddels meesukkelt in de achterhoede van het steeds duurzamere Europa?

Aan de klimaatwetenschappers zal het niet liggen. Die hebben inmiddels een grote hoeveelheid kennis opgebouwd, schrijft ex-milieuactivist en oud-Kamerlid voor GroenLinks Wijnand Duyvendak in zijn boek ”Het groene optimisme”.

De verwachtingen zijn aanvankelijk hooggespannen. Wanneer in 1989 het Nationaal Milieuplan verschijnt, denkt de overheid na de aanpak van zure regen en het gat in de ozonlaag met dezelfde voortvarendheid de opwarming van de aarde te kunnen elimineren.

Na deze eerste ‘klimaatgolf’ ebt het gevoel van urgentie weg; alleen rond 2006 signaleert Duyvendak nog een opleving. „Terwijl Duitsland door ingrijpende wetgeving een groene koers uitzet, verdwijnt het klimaat in Nederland uit het centrum van de belangstelling.” Het gevolg is dat Duitsland en Denemarken zich in de top van klimaatbewuste landen nestelen, terwijl Nederland elk jaar verder wegzakt op de ranglijst.

„Het klimaatbeleid heeft hier nooit een stevig fundament gekregen”, verklaart het oud-Kamerlid. Dat is volgens hem de reden waarom sceptici nog altijd een stevige voet tussen de deur hebben in het klimaatdebat. „Hun aanvallen voeden de twijfel: zijn ingrijpende maatregelen wel echt nodig? Wie het probleem niet wil zien, kan het ontkennen.”

Toch is het standpunt van deze sceptici geen complete nonsens. Pier Vellinga, hoogleraar klimaatwetenschappen aan de Wageningen Universiteit, erkent in zijn boek ”Hoezo klimaatverandering” dat er grote onzekerheden bestaan, onder meer over de rol van CO2 bij de opwarming van de aarde.

„Naar aanleiding van de uitkomst van laboratoriumproeven verwachten we dat de aarde warmer zal worden door de toename van broeikasgassen in de atmosfeer. De grote vraag is nu, en daarover gaat de discussie, werken broeikasgassen voor de aarde op dezelfde manier als in het laboratorium?” De hoogleraar durft deze vraag niet zonder meer positief te beantwoorden.

Complex

Zulke onzekerheden hebben het tot een moeilijke opgave gemaakt om de weerstanden tegen klimaatmaatregelen weg te nemen. Volgens Duyvendak heeft vooral de „energie-intensieve industrie” de vertaalslag van het klimaatonderzoek naar krachtig beleid effectief verhinderd. „Bedrijven doen er alles aan om fiscale voordelen te houden en gaan op de rem staan bij het grootschalig toepassen van zonne- en windenergie.”

De macht der gewoonte is zo mogelijk nog lastiger te doorbreken dan de macht van energiebedrijven, denkt de oud-politicus. „Apparaten staan automatisch in de stand-bymodus, vlees eten lijkt onze tweede natuur en vliegen naar de zon is mateloos populair.”

Daaraan verandert volgens Vellinga echter niets zonder een zeer sterke prijsverhoging. „Maar daarvoor is geen politiek draagvlak te vinden.”

Een complicerende factor daarbij is het ‘verworven recht op consumptie’, stelt Duyvendak. „Wat gewoon is, daarvan wil je niet af.” Er is te weinig oog voor de langetermijngevolgen van het eigen gedrag, terwijl solidariteit met komende generaties of met mensen in ontwikkelingslanden ontbreekt.

Klaas van Egmond, hoogleraar geowetenschappen in Utrecht, nam een kijkje in de Haagse keuken en constateerde dat politici niet anders denken dan de Nederlandse burger. „Beschavingen gaan niet ten onder doordat ze een probleem niet zien, maar doordat de heersende oude elite haar belangen niet wil prijsgeven. De jongere generatie krijgt de kans niet om de klimaatproblemen aan te pakken. Het is een klassiek Grieks drama.”

Collectief belang

„Maar hoe dien je het collectieve belang?” vraagt Duyvendak zich af. „De bereidheid om een stap terug te doen, terwijl de zekerheid er niet is dat anderen het ook doen, verlamt burgers, bedrijven en overheden.”

Nederland was er vanaf 1986 als de kippen bij om het Kyotoprotocol voor te bereiden. Dat mondiale klimaatverdrag moest alle neuzen dezelfde kant op krijgen. Sinds de ratificatie van het document in 1997 is het tempo er echter helemaal uit. „Wij wachten op het antwoord van de wereld; als iedereen zijn belofte waarmaakt, zijn wij ook bereid verder te gaan”, stelde staatssecretaris Atsma in oktober in NRC Handelsblad.

Wim Turkenburg, hoogleraar klimaat aan Utrechtse universiteit, vindt een dergelijke afwachtende houding zorgelijk. „De ernst van het klimaatprobleem is groter dan ik eerst dacht en de traagheid waarmee er internationaal op het probleem wordt gereageerd, is fnuikend”, verklaarde hij onlangs tegenover Duyvendak.

Internationaal houden de landen elkaar gegijzeld: als China geen handreiking doet, laten ook de VS het afweten en vice versa. Experts zakt de moed inmiddels in de schoenen. Donald Pols van het Wereld Natuur Fonds stelde onlangs in Trouw dat zestien jaar onderhandelen niets heeft opgeleverd. „De CO2-uitstoot is nog nooit zo hoog geweest als nu.” Hij ziet een opvolger van het Kyotoverdrag er niet komen.

Aangejaagd

Ondanks alle beloften is een structurele verlaging van de uitstoot van broeikasgassen uitgebleven, constateert Duyvendak. „Het stroomverbruik is in Nederland blijven groeien, de CO2-uitstoot door het verkeer eveneens, en de industrie heeft die groei alleen beperkt door het verplaatsen van productie en uitstoot naar China.”

Anders dan veel mensen denken, gebruikt Nederland feitelijk steeds meer fossiele brandstoffen. Het regeringsbeleid stimuleerde dat de afgelopen decennia zelfs. „Het netwerk van snelwegen is in 25 jaar zeer fors gegroeid, de maximumsnelheid verhoogd, het vliegverkeer kreeg alle ruimte op Schiphol en de Rotterdamse haven kon fors groeien mede door de Betuwelijn”, somt de oud-politicus moeiteloos een rijtje maatregelen op. „Waar aan de ene kant werd geprobeerd de uitstoot te beperken, werd hij aan de andere kant aangejaagd.”

Doorgespeeld

Verder mocht klimaatbeleid „niets kosten.” Volgens Duyvendak geeft de regering er 0,5 procent van de begroting aan uit, „een zeer beperkt bedrag.” Een miljard euro gaat naar vormen van duurzame-energie-opwekking zoals windmolens en subsidies op zonnepanelen, terwijl er 100 miljoen euro wordt uitgegeven in ontwikkelingslanden om de uitstoot van broeikasgassen daar te beperken.

Er valt voor politici niet veel eer te behalen aan de strijd tegen de klimaatverandering, constateert het oud-Kamerlid. „De dreiging is abstract en onzeker en ligt verscholen in de toekomst en zal anderen voorlopig harder treffen dan Nederland.”

Tegen die achtergrond gaat geen politicus van harte de confrontatie aan met het bedrijfleven om ingrijpende maatregelen door te voeren, zoals het afschaffen van energiesubsidies voor grootverbruikers van fossiele brandstoffen.

Keer op keer geeft de burger aan dat de overheid wat aan het klimaat moet doen. Duyvendak weet dat als geen ander. „Maar elke politicus weet ook dat, zodra hij concrete maatregelen voorstelt, hij het risico loopt dat dezelfde kiezer de kont tegen de krib gooit: het probleem moet worden aangepakt, maar vliegreizen mogen niet duurder worden en de accijns op benzine mag niet omhoog. De bal wordt voortdurend doorgespeeld.”

Onnozel

Mensen zijn pas bereid offers te brengen wanneer ze overtuigd raken van de urgentie van het klimaatprobleem, denkt Duyvendak. De alarmbel moet gaan rinkelen. Hij verwijst naar de boodschap van Al Gore, oud-vicepresident van de VS en milieuactivist, die klonk toen in 2006 het ene na het andere weerrecord sneuvelde.

De vraag is echter of zo’n boodschap landt. Jan Boersema, hoogleraar bij het Instituut voor Milieuvraagstukken (IVM) aan de VU in Amsterdam, is daarvan niet overtuigd. Hij noemt het in zijn boek ”Beelden van Paaseiland” zelfs een ernstige misvatting om mensen wakker te schudden met doemdenken. Na aanvankelijke schrik treden een zekere verlamming en zelfs doofheid voor de boodschap op.

„Enerzijds roepen dat de wereld grote rampen te wachten staan en vervolgens een spaarlamp aanraden, zoals Al Gore deed, lijkt mij geen goede verhouding. Je voelt je in zo’n geval als goedwillende burger eerst schuldig en vervolgens machteloos of onnozel.” Evenredigheid tussen de ernst van de boodschap en de omvang van de maatregel is volgens Boersema uiterst belangrijk.

Maatregelen

Het blijft echter onverminderd noodzakelijk om binnen veertig jaar afscheid te nemen van de schaarser wordende fossiele brandstoffen. Daarover zijn Duyvendak en prof. Vellinga het eens.

Berekeningen wijzen uit dat energie in Europa daardoor minstens 15 procent duurder zal worden. Positief is echter dat de EU dan voor haar energie minder afhankelijk is van het buitenland, de lucht in de steden schoner wordt en er meer wordt geïnvesteerd in de eigen economie. Een gunstig gevolg is dat er dan ook minder CO2 wordt uitgestoten.

Volgens Vellinga kan zo’n omschakeling geleidelijk en zonder veel problemen plaatshebben. „Is deze benadering niet veel te optimistisch?” vraagt Duyvendak zich af. „Zal er niet eerst een ramp moeten plaatshebben om burgers, bedrijven en overheden in beweging te krijgen?”

Mede n.a.v. ”Het groene optimisme”, Wijnand Duyvendak; uitg. Bert Bakker, Amsterdam, 2011; ISBN 9789035137097; € 29,95; ”Hoezo klimaatverandering?”, Pier Vellinga; uitg. Balans, Amsterdam, 2011; ISBN 9789460033032; € 14,95; ”Beelden van Paaseiland”, Jan J. Boersema; uitg. Atlas, Amsterdam, 2011; ISBN 978904501052; € 19,95.

_______________________________________________________________________________________

(Vrij Nederland 24 november 2011)

___________________________________________________________________________________________

(GroenLinks Magazine 25 november 2011)

Het klimaat kwam van rechts

 

Lot van Hooijdonk leest het nieuwe boek van Wijnand Duyvendak Het groene optimisme. Een revisionistisch werk – en terecht, vindt de adjunct-directeur van de Natuur en Milieufederatie Utrecht. Milieu is niet links en niet rechts.

Wie had dat gedacht. Wijnand Duyvendak heeft een ode geschreven aan Ed Nijpels en Ruud Lubbers. Het is de tandem Nijpels-Lubbers die klimaatverandering in Nederland én internationaal op de agenda zet, nog voordat de milieubeweging doorheeft wat ons boven het hoofd hangt. In de Tweede Kamer is het ARP-lid Jaap Boersma er als eerste bij.

In Het groene optimisme – Het drama van 25 jaar klimaatpolitiek herschrijft Duyvendak de geschiedenis van het Nederlandse klimaatdebat. Een historicus – en dat ben ik – zou het een revisionistisch werk noemen. Een nieuw perspectief op het verleden dat afwijkt van het heersende beeld. Want milieu is links, schijnt. Dat nieuwe perspectief – klimaat is niet links of rechts – is wat mij betreft terecht en broodnodig.

Oh weemoed, Duyvendak verhaalt over een tijd dat feiten en rapporten de politiek in beweging brengen en CDA en VVD nog idealen hadden. Nederland is tot en met de aanloop naar Kyoto internationaal voortrekker en pleit in Europees verband voor een energiebelasting.

Agenderen was natuurlijk nog het makkelijke deel. De geschiedenis van de klimaatpolitiek is ook een geschiedenis van niet werkelijk durven ingrijpen. Als uitvoering van klimaatbeleid aan de orde is groeit de weerstand, want energieverbruik is nauw verweven met onze manier van leven. En voor lifestylediscussies is de politiek doodsbenauwd. Met als gevolg dat alleen zachte maatregelen worden genomen: subsidies, convenanten. Wat te doen?

Wijnand Duyvendak gelooft dat de politiek cruciaal is om regels en normen te stellen, en ik met hem. Dat het kan, bewijzen Duitsland, Denemarken en Verenigd Koninkrijk. Klimaat moet dan van ons allemaal worden, een cross party consensus. Dat betekent dat links en rechts allebei een beetje water bij de wijn moeten doen.

GroenLinks is als partij dus in the place to be, de politieke arena. Ook GroenLinks moet loskomen van de links-rechtstegenstelling en het thema kunnen, willen en durven delen met andere gezindten. En tegelijk toch de absolute morele eigenaar zijn.

Beiden vallen GroenLinks tot nu toe zwaar: GroenLinks-politici nemen anderen snel de maat en opeenvolgende fracties blinken niet echt uit in groen. Duyvendak memoreert scherp dat de toekomstagenda van Femke Halsema geen groen hoofdpunt kende. Ik ben heel benieuwd hoe Duyvendak zelf met de ‘kennis van nu’ oppositie zou voeren.

Een paar lessen voor GroenLinks. Lever nooit de minister van Milieu. Ga voor staatssecretaris van Financiën, minister van Energie, of liever nog, premier… Zoek bondgenoten op buiten de politiek, opiniemakers. Ik zou zeggen: kopjes koffie met de hele Duurzame Top 100 van Trouw en innige banden met koplopers in het bedrijfsleven. En het belangrijkst: vertel het grote verhaal. Er is ruimte voor en behoefte aan een partij met lef en een consistent inhoudelijk verhaal. Mits goed verteld. C’est le ton qui fait la musique.

Wijnand Duyvendak heeft een vlot geschreven boek afgeleverd. Door ooggetuigen op te voeren wordt het bij tijd en wijle zelfs spannend, alsof we er zelf bij zijn. Duyvendak zegt zelf dat een historische blik verheldert. Dat klopt. Voor mensen die werken in de klimaatbusiness is het boek een must. Voor actieve CDA- en VVD-politici trouwens ook.

Het klimaatverhaal is nog lang niet af. Duyvendak zal nog wat herziene edities moeten uitbrengen. Hopelijk heeft de laatste een happy end.

______________________________________________________________________________________

(Trouw 18 november 2011)

Het drama van 25 jaar klimaatpolitiek

Zonder steun van premier kan milieuminister weinig, concludeert Wijnand Duyvendak in zijn boek

Ingrid Weel

Winsemius, Nijpels, Alders, De Boer, Pronk en Cramer. Allen wilden iets doen aan de broeikasgasuitstoot, geen van deze oud-ministers van milieu is het echt gelukt. Wijnand Duyvendak, oud-Kamerlid voor GroenLinks en voormalig directeur van Milieudefensie sprak hen allemaal en komt tot de conclusie dat zonder steun van de premier milieubeleid gedoemd is te mislukken.
Duyvendak voelde twee jaar geleden –na de geflopte klimaattop in Kopenhagen- de “intellectuele behoefte” om het klimaatbeleid van de afgelopen 25 jaar eens op een rijtje te zetten. Dat heeft geresulteerd in het  boek ‘Het groene optimisme’ dat vandaag verschijnt .  Eén van de dingen die hem opviel en was het belang van de betrokkenheid van de  “hoogste baas”.
Hans Alders, minister van milieu van 1989 tot 1994, zegt in het boek dat premier Ruud Lubbers hem echt goed hielp bij het Nationaal Milieubeleidsplan, maar toen de uitvoering lastig bleek en de economie wat slechter ging, de premier steeds meer zijn handen er vanaf trok. Margreeth de Boer was minister toen het kabinetsmotto ‘werk, werk, werk’ was. “Ik was gewoon een Schipholminister”, kijkt De Boer nu terug op haar periode van 1994-1998.
Haar opvolger, Jan Pronk: “ Je kunt als minister van milieu alleen maar iets coördineren. Je hebt geen instrumenten en geen bevoegdheden. Bij de departementen van economische zaken en van verkeer zetten ze keihard de hakken in het zand. Je kunt dan heel weinig.” Duyvendak: “Zonder steun van de premier is het gevecht te groot.”
Alle oud-bewindspersonen gaven aan hoe moeilijk het was om het ministerie van economische zaken (EZ) mee te krijgen. In de jaren tachtig zeiden de ambtenaren bij EZ al: “We kunnen ons geen duurzaamheid veroorloven” en dat is altijd zo gebleven. De milieuambtenaren willen regels en heffingen, EZ pleit voor subsidies en convenanten, schrijft Duyvendak in zijn boek.
Het was dankzij Lubbers en Ed Nijpels dat in 1986 het broeikaseffect op de publieke en politieke agenda terecht komt.  Dertig jaar eerder kwamen woorden als ‘klimaatwisseling’ of ‘gevaarlijk koolzuurgasdeken’ voor het eerst in de wetenschap voor. Als in die periode de eerste professoren er in de media op wijzen dat steenkool en olie de veroorzakers zijn van het mogelijke broeikasgaseffect, wordt echter net de gasbel onder Slochteren ontdekt.
“De vondst van de gasbel is niet alleen maar een zegen, voor de ontwikkeling van duurzame energie is het een vloek”, stelt Duyvendak. Waar andere landen zich bogen over nieuwe energievormen, zoals Denemarken met windenergie deed, voelt Nederland zich sterk en rijk met het aardgas.

Onder invloed van Winsemius en daarna Nijpels werd het milieu een ‘algemeen belang’. Het onderwerp leefde enorm. Duyvendak: “Dat is één van mijn conclusies, dat het belangrijk is om het links-rechts-denken los te laten. Het klimaatprobleem moet je met zijn allen oplossen. In de landen waar het onderwerp niet is gepolariseerd is de meeste vooruitgang geboekt.”
De grootste oppositiepartij de afgelopen 25 jaar in het klimaatbeleid is ondernemersorganisatie VNO-NCW geweest, stelt Duyvendak. Zij zijn de spreekbuis van de Nederlandse multinationals en de energie-intensieve industrie die de omslag naar een duurzame economie structureel tegenwerkt. Zo riep in 2006 voorzitter Bernard Wientjes op om wat minder krampachtig vast te houden aan de internationale klimaatafspraken.
Zonder een verandering van de energieprijzen –fossiel duurder, duurzaam goedkoper- gaat een groene toekomst niet lukken, benadrukt Duyvendak.  Maar om dat te bewerkstelligen moet er wel maatschappelijke steun zijn, zegt hij. “Het is hoopgevend dat er nu veel maatschappelijke initiatieven zijn.”
Duyvendak vindt het jammer dat klimaatpolitiek momenteel weer echt als ‘linkse politiek’ wordt gezien. Dat was ook zo in 2002. Milieu mocht toen even geen prioriteit meer krijgen, vertelt toenmalig staatssecretaris Pieter van Geel in het boek. Vier jaar later was daar opeens de tweede klimaatgolf, zoals Duyvendak het noemt, na een groot aantal wetenschappelijke publicaties over het probleem, met oud-presidentskandidaat van de VS, Al Gore als spreekbuis.
Politieke partijen buitelden tijdens de verkiezingen van 2006 over elkaar heen om te benadrukken hoe belangrijk zij klimaatverandering vinden. D66-leider Alexander Pechtold: “Wij hebben Al Gore niet nodig, wij vinden dit al twintig jaar.” Mark Rutte, net gekozen tot lijsttrekker van de VVD: “Dit is zo belangrijk dat we het niet aan de linkse partijen kunnen overlaten. ” De VVD gaat ‘leiderschap pakken’ in het klimaatdebat, beweert Rutte.
Als de financiële crisis losbarst in 2008 wordt de zorg snel minder. Van Geel zegt over de huidige situatie: “Er is de neiging ons terug te trekken achter de dijken en niet verder te kijken dan de waan van de dag.” De broeikasgasuitstoot is ondertussen volgens cijfers uit ‘Het groene optimisme’ in 2010 met nog geen procent gedaald ten opzichte van 1990.
“Het is ook een complex probleem, niet direct zichtbaar en er is geen eenvoudige oplossing”, verzucht Duyvendak.  Sommige wetenschappers die hij interviewde voor het boek denken dat er kleine rampen nodig zijn om de urgentie aan te tonen, zoals het smelten van de Noordpool. Mensen moeten het probleem ervaren.  Duyvendak benadrukt ook dat de departementen van EZ en milieu moeten fuseren. “En er is een wettelijk instrumentarium nodig. Met alleen convenanten en andere vrijblijvende afspraken gaat het niet lukken. Dat hebben we de afgelopen 25 jaar gezien: de tragiek van milieuministers is groot.”

Duyvendak kritisch op eigen partij

Oud-Kamerlid voor GroenLinks Wijnand Duyvendak kijkt in zijn nieuwe boek met jaloezie naar de zusterpartij in Duitsland, De Grünen die veel en veel groter is. “GroenLinks is in het Nederlandse politieke spectrum de enige partij die zich groen afficheert en daarom als vanzelf ‘eigenaar’ van het onderwerp. In de dagelijkse praktijk is het voeren van groene politiek echter lang niet altijd de core business van de partij. Het is tekenend dat er voor GroenLinks altijd maar één groen Kamerlid in de Tweede Kamerfractie zit, terwijl ‘Groen’ toch de helft van de naam is.”