Is er werkelijk reden tot groen optimisme, of stevenen we af op nog eens 25 jaar drama in de klimaatpolitiek?

– Bureau de Helling  – 3 april 2012 –

KATINKA EIKELENBOOM

Wijnand Duyvendak schetst de contouren voor een klimaatbeleid dat wel effectief is.

Donkere wolken en een kale, eenzame boom die door de bliksem lijkt te zijn getroffen sieren de omslag van het boek. Het contrast met de vrolijke neongroene letters van de titel ‘Het groene optimisme’, kan haast niet groter zijn. Wanneer we dan de ondertitel, in bloedrode kapitalen, lezen, is de verwarring compleet: ‘Het drama van 25 jaar klimaatpolitiek’. Wat wil Wijnand Duyvendak (2011) ons duidelijk maken?

‘Wat ging er de afgelopen decennia mis, en hoe is het tij de komende decennia nog te keren?’, staat op de achterflap van het boek. Duyvendak wil via een historische analyse, die de eerste pakweg 300 pagina’s van zijn boek beslaat, licht werpen op hoe het dan wel moet: klimaatverandering effectief aanpakken.

Nauwgezet beschrijft hij hoe ‘het klimaat’ eind jaren tachtig prominent op de agenda wordt gezet, hoe het daar weer geruisloos van verdween en wie daarin een rol speelden. Het is een van de dingen uit het boek die mij zeker zullen bijblijven: er waren good cops en bad cops en lang niet altijd voor de hand liggende. Zo speelden VVD’ers als Ed Nijpels en Pieter Winsemius, gesteund door CDA-premier Lubbers, glansrollen bij het adresseren van het klimaatprobleem. Terwijl Alexander Rinnooy-Kan, tegenwoordig D66-prominent en populair in linkse en rechtse kringen, als voorzitter van VNO/NCW de aanpak van klimaatverandering danig frustreerde. Daarmee valt hij wat mij betreft van zijn progressieve voetstuk af. Maar het drama van 25 jaar klimaatpolitiek kan uiteraard niet volledig op het conto van Rinnooy-Kan worden geschreven.

Wat ging er mis?

De start van de klimaatpolitiek in Nederland begon zo hoopvol. We lopen internationaal voorop en zoals gezegd waren het politici van rechtse partijen die het issue naar voren schoven. Het duurde even, maar toen er kwam een krachtige lobby op gang vanuit de energie-intensieve industrie, die kon rekenen op onvoorwaardelijke steun van de koepel van het Nederlandse bedrijfsleven VNO/NCW en het Ministerie van Economische Zaken. Dit leidt ertoe dat de ambitieuze doelstellingen voor energiebesparing van VROM een zachte dood sterven in boterzachte convenanten van de industrie (‘wij verplichten onszelf ons best te doen energie te besparen’). Het neoliberale tij van de jaren tachtig en negentig helpt evenmin om te komen tot heffingen en harde eisen aan CO2-uitstoot van bedrijven.

Er wordt daarnaast te weinig geïnvesteerd in duurzame vormen van energie, noch wordt werk gemaakt van energiebesparing van huishoudens. Klimaatbeleid mag niets kosten en er komt dus niet veel van de grond. ‘Klimaat’ blijkt bovendien als issue moeilijk te verkopen aan het publiek. Het is abstract, ongrijpbaar en niet zichtbaar. Milieuorganisaties en overheid worstelen met de manier waarop ze het probleem onder de aandacht kunnen brengen en na de eerste schrik eind jaren tachtig, verslapt in de jaren negentig dan ook de publieke aandacht voor de klimaatverandering.

Pim Fortuyn, die in 2002 het politieke speelveld betreedt, spreekt een grote groep mensen aan met uitspraken als: ‘Ik geloof dat hele CO2 verhaal niet. En bovendien: hoe erg is het nu dat de aarde opwarmt?’ (p. 162). Het klimaatprobleem en het milieudebat in het algemeen worden onderdeel van een links-rechts polarisatie. Als je rechts bent moet je niets hebben van milieumaatregelen, ben je links dan kun je er geen genoeg van krijgen. Er sijpelen steeds meer klimaatsceptische geluiden door in het publieke debat. Onzekerheden in de wetenschappelijke kennis over klimaatverandering worden opeens aangegrepen om niet in te grijpen, in tegenstelling tot eind jaren tachtig toen de politiek vond dat er meer dan voldoende aanleiding was tot handelen, onzekerheden of niet.

In het Nationaal Milieubeleidsplan uit 1989 dat onder de verantwoordelijkheid van Minister Nijpels werd geschreven, werd nog gepleit voor 25 procent reductie in 2010. De realiteit is dat de CO2– uitstoot in Nederland tussen 1990 en 2010 met 15 procent is toegenomen.

Hoe nu verder?

De laatste veertig pagina’s van zijn boek wijdt Duyvendak aan ‘de uitgangspunten van een effectieve klimaatpolitiek’. Hier zou de basis moeten liggen voor het groene optimisme van de auteur, maar echt optimistisch zou ik dit laatste deel niet willen noemen. Eerder voorzichtig zoekend, realistisch en met soms tegenstrijdige signalen over wat ons te doen staat.

Dat wordt waarschijnlijk deels veroorzaakt door het uitgangspunt dat Duyvendak als eerste naar voren brengt, namelijk dat een effectieve klimaataanpak veelzijdig moet zijn. We moeten alle registers opentrekken om iets te kunnen bereiken, op alle paarden wedden. Want zo moeilijk is het om iets te veranderen.

Dat moeizame komt terug in een aantal van de uitgangspunten die Duyvendak noemt. Wetenschappers moeten zich mengen in het publieke debat met hun alarmistische boodschappen, om zo een gevoel van urgentie te creëren. Maar aan de andere kant moeten de politiek en de wetenschap volgens Duyvendak wel hun eigen rol spelen. Het IPCC, de gezaghebbende internationale club van klimaatwetenschappers, heeft in 2010 veel reputatieschade geleden toen er foutjes in het rapport bleken te staan die stuk voor stuk het klimaatprobleem erger deden doen lijken. Niet zo gek dat toen werd geroepen dat het IPCC gepolitiseerd was. Het door elkaar heenlopen van wetenschap en politiek is onvermijdelijk, maar heeft in het klimaatdebat zeker niet alleen goeds gedaan. Ik vraag me daarom af of het verstandig is om klimaatwetenschappers op te roepen alarm te slaan.

Een ander punt waar Duyvendak mee lijkt te worstelen is in hoeverre mensen mogen worden aangesproken op hun waardenpatroon en bijbehorend gedrag. Aan de ene kant zegt hij te kiezen voor een pragmatische aanpak, want wie eerst het systeem of de mens wil veranderen verliest teveel tijd en belandt in een moeras. Dus moeten we blijven investeren in technologische innovatie, ook al gelooft hij niet in een technological fix. Maar aan de andere kant komt hij met een voorstel voor een moreel kompas, waarin solidariteit en compassie de kernwaarden zijn. De huidige houding van mensen is volgens Duyvendak asociaal, dus een nieuwe waardeoriëntatie is noodzakelijk. Hij hoopt dat een duurzaam en energiezuinig bestaan de nieuwe sociale norm wordt. Alleen, hoe krijg je dat voor elkaar als je mensen niet denkt te kunnen veranderen?

Misschien zit de angel in de wijze waarop je mensen aanspoort tot een andere houding. Duyvendak gaat hier niet expliciet op in, maar pleit wel voor hetnudgen van mensen in een bepaalde (duurzame) richting. Hij noemt het ‘keuzes regisseren’ en stelt dat via politieke interventies mensen andere keuzemogelijkheden moeten worden geboden. Let wel, andere keuzes, niet minder, zo benadrukt hij. Hier proef ik een bij (Groen)Links wijdverbreide angst om te worden weggezet als paternalist die het waagt om mensen in hun keuzevrijheid te beperken. Het is de vraag of de vrijheid van mensen niet meer gediend is bij iets minder en duurzamere keuzes, maar Duyvendak lijkt ver weg te willen blijven van deze discussie (zie voor meer hierover het boek ‘Vrijzinnig paternalisme. Naar een groen en links beschavingsproject‘).

Waar ik Duyvendak helemaal gelijk in geef is zijn nadruk op de noodzaak tot politiek ingrijpen om echte stappen te kunnen zetten in de aanpak van het klimaatprobleem. De duurzame ‘wij-doen-het zelvers’ en ondernemers zijn heel belangrijk, maar zij gaan niet eigenhandig zorgen voor een grote doorbraak in energiebesparing of CO2-reductie. Dus moet de politiek weer, net als 25 jaar geleden, leiderschap tonen in het klimaatdebat. Daarvoor is uiteraard een maatschappelijk draagvlak nodig, dus moeten gemeenten vooral doorgaan met klimaatneutraal worden, Urgenda met zonnepanelen inkopen voor particulieren en de milieuorganisaties met initiatieven als warme truiendag en Earth Hour.

‘De komende tien jaar is alles mogelijk’, besluit Duyvendak’s zijn boek. Maar de volgende uitspraak van oud PvdA-leider Wouter Bos (uit 2006), die tevens op de achterflap prijkt, doet misschien meer recht aan de boodschap van het boek: ‘De toekomst zal groen zijn of zal niet zijn.’