Recente artikelen

(NRC Handelsblad 11 februari 2012)

Groen heeft wel toekomst

Het is een rotprobleem, de opwarming van de aarde: het is ongrijpbaar en mondiaal van aard. De aanpak ervan vraagt een zeer lange adem en eenvoudige oplossingen zijn niet voorhanden. Het is daarom niet verbazingwekkend dat de klimaatverandering van de politieke agenda verdwijnt, zodra problemen uit het hier-en-nu zich opdringen, zoals de financiële crisis, of de burgeroorlog in Syrië.

„Dit is zo belangrijk dat we het niet aan de linkse partijen kunnen overlaten”, zegt VVD-lijsttrekker Rutte nog in 2006. PvdA-voorman Bos doet er dan onmiddellijk een schepje bovenop: „De toekomst zal groen zijn of zal niet zijn”. Van deze betrokkenheid bij de klimaatverandering is enkele jaren later in politiek Den Haag niets meer over. Het ministerie van Milieu is opgeheven, de ambities om de uitstoot van broeikasgassen te beperken zijn fors beperkt.

Rutte en Bos doen hun uitspraken op het moment dat een grote klimaatgolf de wereld overspoelt; Al Gore is er het gezicht van. Het is de tweede klimaatgolf. De eerste grote piek in de aandacht voor het broeikaseffect houdt Nederland van 1989 tot 1991 in haar greep: VVD-minister Nijpels en CDA-premier Lubbers agenderen in die jaren met veel kracht het nieuwe onderwerp. De Koningin spreekt in haar kerstrede in 1989 de gedragen woorden: „Langzaam sterft de aarde en wordt het onvoorstelbare – het einde van het leven zelf – toch voorstelbaar”.

De eerste en de tweede klimaatgolf kunnen tot waskom komen in tijden van economische voorspoed. Beiden delven het onderspit op het moment dat de economie begint te haperen. De aandacht vervliegt en de aanpak blijft steken in vrijblijvende en vrijwillige maatregelen. Het gevolg is dat de Nederlandse CO2-uitstoot sinds 1990 met 15 procent is gegroeid, in plaats van met 20 of 30 procent is gedaald, zoals de ambitie was.

In de jaren zestig en zeventig is milieu nog vooral een ‘links’ onderwerp. Dat verandert in de jaren tachtig door inzet van VVD’er en milieuminster Winsemius, en later door de niet aflatende ijver van Nijpels en Lubbers. Milieu wordt een zaak van algemeen belang, niet links of rechts.

Maar de laatste jaren is het broeikaseffect als nog inzet geworden van een ideologische strijd. In de Verenigde Staten haastten de afgelopen maanden alle Republikeinse presidentskandidaten zich om te verklaren dat ze niet in de klimaatverandering ‘geloven’.

En ook in Nederland is de ‘vermeende’ klimaatverandering voor rechts-conservatieven een ijkpunt om te tonen uit het goede hout gesneden te zijn. Het is geen toeval dat drie NRC-columnisten van rechtse snit (Martin Bosma, Dirk-Jan Eppink, en Thierry Baudet) niet lang na hun aantreden een felle column publiceerden over de ‘vermeende’ opwarming. Als een bewijs van goed rechts gedrag.

Vicepremier Verhagen positioneert zich ook graag langs deze lijnen door aandacht voor het milieu weg te zetten als een „moralistische stok om ondernemers, boeren en bedrijven mee te slaan”. De PVV was hem al voorgegaan met dit vertoog.

In mijn boek Het groene optimisme verklaart oud-CDA-fractievoorzitter en staatssecretaris van Milieu Pieter van Geel deze politisering van het milieu – door rechts – uit een sterk verlangen om onbezorgd van het goede leven te kunnen genieten. Zonder lastiggevallen te willen worden met problemen van anderen en zonder de gevolgen van het eigen gedrag onder ogen te willen zien.

Op de achtergrond speelt zeker ook weerzin mee tegen een staat die zich bemoeit met het economisch leven. Inderdaad onvermijdelijk, als we de vervuiling willen beteugelen. ‘Watermeloenen’ worden in de Verenigde Staten ijveraars voor de groene zaak wel genoemd: groen van buiten maar rood van binnen.

De trage voortgang bij de aanpak van de opwarming en de slepende debatten stemmen me vaak pessimistisch. Is het probleem van de opwarming van de aarde niet een paar maten te groot om op te lossen?

Toch heb ik hoop. Er is, als resultante van de tweede klimaatgolf, in het bedrijfsleven, in gemeenten, en via velerlei initiatieven om zelf energie op te wekken, een grote beweging van duurzame wij-doen-het-zelvers opgestaan. Ze zijn niet, zoals de klassieke milieubeweging was, op de politiek georiënteerd, maar heel concreet bezig met het zelf reduceren van de uitstoot. Dit is een unieke, nog steeds groeiende trend. Deze ‘beweging aan de basis’ is een voorwaarde voor de stappen die de politiek zal moeten zetten: het vaststellen van strenge normen, introduceren van een hogere prijs voor vervuiling, en de aanleg van een duurzame infrastructuur. Zonder maatschappelijke steun zal politiek Den Haag dit nooit gaan doen.

Duurzame wij-doen-het-zelvers hebben vaak het naïeve idee dat de omslag zich als vanzelf zal voltrekken. Maar zij zullen zich op de politiek moeten gaan richten: zonder maatschappelijke pressie is de grote macht van de fossiele energielobby in Nederland nooit te breken.

Het is kunst voor iedereen die het milieu een warm hart toedraagt bij alle inspanningen een technocratisch vertoog te vermijden. Dat doet niemands hart sneller kloppen en doet ook onrecht aan de aard van het vraagstuk. De aanpak van de klimaatverandering is primair een morele kwestie: we moeten stoppen de gevolgen van onze levenswijze af te wentelen op mensen elders in de wereld en op generaties die na ons komen. Het is een vraagstuk van solidariteit en compassie.

Ik houd ook de hoop dat het politieke krachtenveld verandert: Nederland heeft net als Duitsland een krachtige groene partij nodig. De groene wind die in Duitsland waait, is het resultaat van de jarenlange, consequente, en ook zeer inhoudelijke inbreng van Die Grünen. Door hun krachtige positie in het politieke speelveld kunnen ze zowel de SPD, als de CDU/CSU in groene richting drijven. Het klimaatvraagstuk is door hen wel gepolitiseerd maar niet links-rechts gepolariseerd. GroenLinks zou aan Die Grünen een voorbeeld kunnen nemen, in plaats van een discussie te openen of ze zich aan D66 dan wel PvdA of SP zou moeten spiegelen.

„Hoop is een kwaliteit van de ziel. Hoop is niet te voorspellen of vooruit te zien”, schreef Vaclav Havel. Niemand zag de val van de Muur in 1989 aankomen, evenmin zijn tien jaar geleden de onderwerpen die nu de politiek bepalen – de financiële crisis, opstanden in de Arabische landen, de opkomst van populistische beweging – voorzien.

We kunnen heel slecht in de toekomst kijken. Ik houd hoop, de komende tien jaar is alles mogelijk.

_____________________________________________________________

(Trouw 13 december 2011)

Op zoek naar de macht

Nu in ‘Durban’ de noodzakelijke doorbraak is uitgebleven zijn meer dan ooit landen, bedrijven, gemeenten, actiegroepen én burgers aan zet om ons energieverbruik schoner te maken. Er is in Nederland een duurzaamheidsbeweging in opkomst, die onder meer in de Duurzame top 100 gezicht kreeg. Maar Trouw kwam  dit jaar ook met een verkiezing van ‘de grootste tegenwerkers van de duurzaamheidsbeweging’.  De cruciale vraag die zich opdringt is hoe de mensen en organisaties uit de Duurzame top 100 zich dienen te verhouden tot de tegenwerkers, willen ze een doorbraak kunnen bereiken.

Duurzaamheid is onmiskenbaar de laatste jaren veel dieper in de samenleving verankerd. Voortbouwend op het werk van de traditionele milieuorganisaties hebben de, wat ik in mijn boek Het groene optimisme noem, ‘duurzame wij-doen-het-zelvers’ het voortouw genomen. Bij hen staat de oplossing centraal, niet het protest. Klimaatneutrale gemeenten, bedrijven met groene ambities, en vele maatschappelijke initiatieven vormen deze krachtige beweging. Aan politiek De Haag wordt niet veel aandacht besteed. Zoals Boudewijn Poelman van de Postcodeloterij in Trouw enthousiast vertelt over de zonnepanelen die hij op zijn dak heeft geïnstalleerd: ‘Als iedereen dat nu doet is het energieprobleem opgelost’. Het optimisme van de duurzame wij-doen-het-zelvers  is aanstekelijk. Hoogleraar Pier Vellinga zegt in mijn boek: ‘Groene banen en economische competitie: klimaatverandering komt eraan dus grijp je kansen. We zijn met Kopenhagen het kritische punt gepasseerd’.

De vraag is of dit optimisme gerechtvaardigd is.

De klimaatpolitiek is in 2011 vijfentwintig jaar oud. Eind jaren tachtig was het de ambitie om in 2010 de CO₂-uitstoot met twintig tot dertig procent te hebben teruggebracht. Dat is mislukt. Hij is bijna vijftien procent gestegen. De tegenwerkers  hebben een hele kwart eeuw een effectief klimaatbeleid weten te verhinderen.

Dè grote tegenwerker is de werkgeversvereniging VNO/NCW geweest. Begin jaren negentig al voert de jonge werkgeversvoorzitter Rinnooy Kan de lobby tegen een heffing op energieverbruik aan: ‘We moeten niet voorop willen lopen met verdergaande maatregelen. Daar komt bij dat het broeikaseffect zeker niet onomstreden is’. Zijn opvolger Blankert waarschuwt in 1997 voor het Kyotoprotocol. Er zijn ‘gigantische maatregelen nodig’, ‘paardenmiddelen’,  en ‘ik hoef u niet uit te leggen wat dat voor consequenties voor de werkgelegenheid heeft’. Zijn opvolger Wientjes verklaart bijna tien jaar later: ‘Straks zijn wij het enige land dat zich braaf aan Kyoto houdt. Bepaalde ontwikkelingen in het milieu moeten we accepteren’.

Verhagen en Bleker zijn op dit moment de zichtbaarste tegenwerkers. Voor hen is het een ideologisch geladen conflict en Verhagen keert zich scherp tegen de duurzaamheidsbeweging:  ‘Het zogenaamde ‘redden van de aarde’ zou moeten worden afgedwongen door wetten, normen en regels, die worden opgelegd door een bureaucratische staat’.  De aanpak van het milieu is ‘antikapitalistisch, antiboeren, antiboeren’. Verhagen sluit nauw aan bij de rechtse denktanks in de Verenigde Staten: het milieu wordt gezien als een links project – ze spreken over ‘reds dressed in green’ – waarvan de agenda is om de macht van de staat te vergroten en de vrijheid van het bedrijfsleven te beknotten. Mensen die ijveren voor milieubehoud worden door deze rechtse critici vergeleken met watermeloenen: ‘groen van buiten maar rood van binnen’.

De CO₂-uitstoot moet op korte termijn met tientallen procenten omlaag. Tot nu toe formuleren de duurzame wij-doen-het-zelvers nu hun ambities allemaal op het niveau van hun eigen project: 5.000 zonnepanelen, LED-lampen in de straatlantaarns, of twintig procent energie besparen in eigen kantoor.

Onvermijdelijk zullen ze moeten gaan samenwerken aan ambities die de reikwijdte en de slagkracht van de eigen project of organisatie overstijgen. Boudewijn Poelman zal zich af moeten gaan vragen hoe hij de kolencentrales stopt en een complete ombouw van ons elektriciteitsnet gerealiseerd krijgt. Om de uitstoot te beperken zijn fors hogere prijzen voor fossiele energieverbruik en lagere voor hernieuwbare energie onmisbaar.

‘Concentreer je op de koplopers en laat de achterblijvers het maar uitzoeken. Of dat nu burger of bedrijven zijn, of de politiek’, aldus Jan Rotmans, één van de inspirerende voormannen van de duurzame wij-doen-het-zelvers. Is dit niet heel naïef?  De duurzaamheidsbeweging zal de weg naar de economische en politieke macht dienen te zoeken, opdat VNO/NCW en Verhagen de grond onder voeten verliezen.

De vormgeving van deze krachtmeting is de grote opgave voor de duurzaamheidsbeweging.  Wordt deze uit de weg gegaan, dan dreigt er weer 25 jaar verloren te gaan en zullen de duurzame wij-doen-het-zelvers veroordeeld zijn tot een bestaan in de relatieve marge.

Ze verdienen zoveel meer.

Wijnand Duyvendak

(Auteur van het recent verschenen boek ‘Het groene optimisme – het drama van 25 jaar klimaatpolitiek’.)

_____________________________________________________________________________________

(Joop.nl 11 december 2011)

Vrijwilligheid is het credo

Was het bij de klimaattop in Kopenhagen in 2009 de ambitie om binnen enkele jaren een effectief werkend akkoord te hebben, nu zullen we er tot 2020 op moeten wachten.

Zoals altijd bij de mondiale klimaattoppen, kwam het akkoord pas op het allerlaatste moment, en chaotisch, tot stand. Het is een helse, zo niet onmogelijke, opgave de hele wereld op één lijn te krijgen. Ook in Durban was het weer spannend en tumultueus. Met een iPad op schoot probeerde ik het vanuit Nederland te volgen.

Het afgesloten akkoord is een grote vlucht naar voren. Nieuwe, hopelijk bindende, afspraken zullen pas in 2020 in gaan. In 2015 zullen deze in een akkoord moeten worden vastgelegd. Al is het Kyotoprotocol formeel verlengd, tot 2020 zijn in het mondiale klimaatbeleid verplichtingen taboe en is vrijwilligheid het credo. Was het in Kopenhagen in 2009 de ambitie om binnen enkele jaren een effectief werkend akkoord te hebben, nu zullen we er tot 2020 op moeten wachten.

Er dreigt op deze manier heel dure tijd verloren te gaan. Klimaatwetenschappers van het IPCC wijzen er al jaren op dat we voor 2020 de almaar stijgende trend van CO-uitstoot moeten hebben omgebogen in een scherp dalende, wil de temperatuurstijging tot 2 graden beperkt blijven. De prestigieuze mondiale energieorganisaties IEA, waar oud minister Van der Hoeven (CDA) tegenwoordig de scepter zwaait, wees er onlangs op dat vanaf 2017 de broeikasgasuitstoot aan banden zal moeten zijn gelegd, anders zullen er grote gevaren dreigen voor de mens.

Het lijkt er dus op dat we met het akkoord van Durban deze opgave gaan missen. De tijd zal steeds meer gaan klemmen.

Ten tijde van de eerste klimaatgolf, die 25 jaar geleden begon, waren politici leidend bij de agendering en aanpak van het klimaatprobleem, zo laat ik in mijn boek Het groene optimisme zien. In Nederland met de publicatie van het eerste Nationaal Milieubeleidsplan, internationaal namen politici de leiding met de grote conferentie in Rio de Janeiro in 1992 en het afsluiten van het Kyotoprotocol in 1997.

Deze leidende rol hebben de politici het laatste decennium helaas verspeeld. Toen het op echt doorpakken aankwam, hebben ze zich laten wegspelen door maatschappelijke en economische weerstand. Het gevolg is dat de CO2-uitstoot, nationaal en internationaal, nog steeds stijgt.

De bal zal de komende jaren onvermijdelijk weer sterker komen te liggen bij de veel geplaagde klimaatwetenschap. Nu de politici de lead niet nemen zullen zij sterk in de rol van de Grote Waarschuwer gedrongen worden, wat lastig is voor een wetenschappers die moeten werken te midden van vele onzekerheden. Het is geen aantrekkelijk vooruitzicht als het primair de wetenschappers moeten zijn, en niet de politici, die wijzen op de grote risico’s van de opwarming. Verdere politisering van de klimaatwetenschap dreigt.

De maatschappelijke zorg over de opwarming van de aarde, en de initiatieven om daar wat aan te doen, zijn de afgelopen 25 jaar enorm toegenomen, in Nederland maar zeker ook wereldwijd. Dat is belangrijk en hoopvol. Hier ligt nu ook de sleutel voor een verdere aanpak. Buurten, wijken, steden, bedrijven, en landen zelf zijn nu aan zet. Concreet uitstoot reduceren, maar ook veel effectiever dan tot nu toe de politiek onder druk zetten eindelijk te handen, lijkt de meest effectieve weg. Over hoe kleine projecten grote kunnen worden, en over hoe de duurzaamheidsbeweging effectief de weg naar de macht kan vinden, zou de discussie nu moeten gaan. Want zonder politieke maatregelen, op ieder niveau, zal het nooit lukken de CO2-uitstoot met vele tientallen procenten terug te brengen.

Wijnand Duyvendak (auteur van het recent verschenen boek Het groene optimisme – het drama van 25 jaar klimaatpolitiek)

________________________________________________________________________________

(Volkskrant 28 november 2011)

Op de klimaattop in Durban moet het gebeuren

WIJNAND DUYVENDAK

In 2009 bleef de gehoopte doorbraak in Kopenhagen uit. Durban biedt de laatste kans op een bindend klimaatakkoord.

De mondiale klimaatonderhandelingen zijn dit jaar 22 jaar oud. De eerste ministeriële klimaattop vond in 1989 in Noordwijk plaats. Op de grote VN-klimaattop, die vandaag in het Zuid-Afrikaanse Durban begint, moet worden afgemaakt wat in 1989 in Nederland begon.

De start was destijds voorvarend. Voor Durban ziet het er somber uit. De rijke landen dreigen een bindend klimaatverdrag op de lange baan te schuiven. Dure tijd gaat verloren. Tegelijkertijd stijgt de CO2-uitstoot, is de omvang van het zomerijs op de Noordpool bijna gehalveerd en zet de opwarming van de aarde door.

Hoewel de Nederlandse regering anno 2011 in de mondiale klimaatonderhandelingen onzichtbaar is, loopt Nederland in 1989 voorop. VVD-minister Ed Nijpels (Milieu) heeft het initiatief voor de top genomen en krijgt daarbij alle steun van CDA-premier Ruud Lubbers. Nijpels heeft vanuit het ministerie een groot team op de voorbereidingen gezet. Hij geeft ze de opdracht mee ‘alles te doen wat niet verboden’ is om er een succes van te maken. Het is de ambitie om een eerste stap te zetten op weg naar een mondiaal klimaatverdrag.

De wetenschappelijke onzekerheden (die dan nog veel groter zijn dan nu) over de exacte gevolgen van het broeikaseffect worden door het CDA/VVD-kabinet niet aangevoerd om verder te studeren, maar juist om in actie te komen. Minister Nijpels schrijft in die dagen aan de Tweede Kamer: ‘Juist vanwege de onzekerheden in de resultaten van de modelberekeningen en de mogelijk ernstige gevolgen, ben ik van mening dat nu reeds met de aanpak van het probleem moet worden begonnen.’ En hij waarschuwt: ‘Naarmate we langer wachten zal de mogelijkheid het probleem aan te pakken drastisch afnemen vanwege de lange nawerking van de gassen in de atmosfeer.’

Nijpels trekt er op de conferentie hard aan. De afspraken die na stevig touwtrekken in Noordwijk gemaakt worden, leggen een fundament onder de latere klimaatonderhandelingen: er moeten verschillende reductiedoelen komen voor rijke en arme landen, een klimaatfonds voor arme landen, de introductie van flexibele mechanismen wordt voorgesteld en er is aandacht voor de bossenproblematiek. In de jaren negentig houden de internationale onderhandelingen vaart. Op de grote duurzaamheidstop in Rio de Janeiro 1992 komt – mede vanwege het fundament van Noordwijk – een mondiaal Klimaatverdrag tot stand. Vervolgens resulteert de VN-klimaattop in Kyoto (1997) voor het eerst tot bindende afspraken. ‘Kyoto’ loopt tot 2012, en voordat het verloopt, moet een vervolgverdrag gesloten zijn, zo wordt er afgesproken.

En hier gaat het proces haperen. In 2009 blijft de gehoopte doorbraak in Kopenhagen uit. Durban is nu de laatste kans. Gaat het weer mis, dan dreigt Kyoto te verlopen zonder dat er een opvolger is. Kyoto werd gezien als een ‘eerste stap’. Het zou voorlopig ook wel eens de ‘laatste stap’ kunnen zijn.

Van de voorhoederol van Nederland in de wereld is helaas niets meer over. Op de vraag of Nederland niet een extra inspanning zou moeten verrichten, zegt staatssecretaris Joop Atsma van Milieu: ‘Wij wachten op het antwoord van de wereld en als iedereen zijn belofte waarmaakt, zijn wij ook bereid verder te gaan.’ Kortom, we sluiten ons aan achteraan in de rij.

Ook de inbreng van de Europese Unie is stilgevallen. De EU heeft op dit moment geen oog voor de klimaatproblematiek. Alle aandacht gaat uit naar de voortwoekerende financiële crisis. Maar we leven niet alleen in financiële zin op de pof. Ook het krediet van de aarde raakt ras op. Het Internationale Energie Agentschap (IEA), dat sinds kort onder leiding staat van oud-minister Maria van der Hoeven (CDA), waarschuwde twee weken geleden dat als het wereldwijde verbruik van fossiele brandstoffen niet snel wordt aangepakt, er grote gevaren dreigen voor de mens. Binnen slechts enkele jaren moet de trend van nog steeds stijgende emissies van broeikasgassen omgebogen zijn in een daling, aldus de IEA. Er zou vanaf 2017 geen enkele fabriek of elektriciteitscentrale meer bij mogen komen die CO2-uitstoot. Zo niet, waarschuwt de IEA, dan zijn er grote gevolgen voor de voedselvoorziening en zullen honderden miljoenen mensen hun woonplaats moeten ontvluchten als gevolg van hittegolven en droogtes, of juist door grote overstromingen.

De mislukking van de klimaattop in Kopenhagen galmt nog steeds na. Pieter van Geel, oud-staatssecretaris van milieu (CDA), gelooft niet meer in een mondiaal akkoord. ‘Voorlopig zijn het de internationaal opererende bedrijven en de ngo’s die het verschil moeten en kunnen maken’, schrijft hij in een CDA-tijdschrift. Ook Donald Pols van het Wereld Natuur Fonds (WNF), die zich jarenlang inzette voor de mondiale onderhandelingen, is de moed in schoenen gezonken: ‘Wat hebben we in zestien jaar praten en onderhandelen bereikt? Onze CO2-uitstoot is nog nooit zo hoog geweest.’ Pols pleit voor een nationale aanpak waarbij de nadruk ligt op duurzame energie en voor internationale afspraken om ontbossing tegen te gaan.

Dit is allemaal belangrijk en moet zeker gebeuren. Maar het is niet voorstelbaar hoe zonder bindend mondiaal akkoord in zeer korte tijd de omslag bereikt kan worden, zoals nu ook door het IEA bepleit. De afgelopen twee decennia werd het klimaatbeleid in Nederland, maar ook in bijna alle andere landen, gekenmerkt door vrijwilligheid: met softe instrumenten als convenanten, subsidies en voorlichting werd gepoogd de uitstoot te beperken. Per saldo heeft die aanpak gefaald. Zonder dat er scherpe grenzen getrokken worden, en alle landen van elkaar de zekerheid hebben dat de ander zich er ook aan houdt, zal de uitstoot blijven stijgen. Ook het Planbureau voor de Leefomgeving laat in een recent verschenen rapport zien dat alternatieve routes onvoldoende besparing zullen opleveren.

De kans dat er een bindend akkoord met scherpe reducties in Durban gesloten zal worden, is klein. Maar daarmee is het niet minder noodzakelijk. Er is geen overtuigend alternatief. Het is net als met de financiële crisis: politici zullen door de zure appel heen moeten bijten. Nietsdoen vergroot de problemen. Langer wachten verhoogt slechts de kosten.

Het werk dat Nijpels en Lubbers zijn begonnen, moet worden afgemaakt.

Wijnand Duyvendak is auteur van Het Groene Optimisme en oud-Kamerlid voor GroenLinks.

_________________________________________________________________________________________

(GroenLinks Magazine 26 november 2011)

Meer actie op groen

De bestrijding van de klimaatcrisis zit in een impasse. Wijnand Duyvendak, klimaatpublicist en voormalig GroenLinks-Kamerlid, leert van het verleden. ‘We hebben in Nederland nu een politieke katalysator nodig’.

28 november begint in Durban, Zuid-Afrika, de grote mondiale klimaattop, het vervolg op de mislukte top in Kopenhagen in 2009. Nu al is duidelijk dat ‘Durban’ niet de doorbraak zal brengen die nodig is. De aanpak van de opwarming van de aarde is anno 2011 in een impasse beland. Het Kyotoprotocol zal in 2012 roemloos ten einde komen. Jaarlijks blijft de CO2 stijgen. Veel meer politieke en maatschappelijke druk van onderop is wereldwijd nodig. Ook GroenLinks kan hier een rol in spelen. Een blik over de grens is hierbij verhelderend.

GroenLinksers kijken vaak jaloers naar de Grünen. Daar is alle reden toe. De Duitse zusterpartij dwong al eens regeringsdeelname af en kan zich verheugen in een toenemende populariteit. De Grünen zijn veel groener dan GroenLinks maar kennen ook een heel andere ontstaansgeschiedenis; zij komen direct voort uit de Duitse milieubeweging. Begin jaren tachtig waren de Grünen de eerste echte bundeling op nationaal niveau van een grote verscheidenheid aan lokale en regionale groene initiatieven; zij gaven deze basisgroepen een stem in het politieke systeem. De sociaaldemocraten en de christendemocraten maakten de dienst uit en stonden nauwelijks open voor het nieuwe groene gedachtegoed. Het lag voor de hand dat de nieuwe, groene emancipatiebeweging zelf de krachten bundelde en een politieke partij oprichtte.

Hoe anders was de situatie in Nederland. Het politieke systeem in Nederland was veel opener; de zorgen om het milieu vonden al in de jaren zeventig gehoor bij Joop den Uyl, voorman van de PvdA, en Hans van Mierlo, leider van D66. Ook de jonge christendemocraat Ruud Lubbers werd erdoor geraakt. De Nederlandse milieuorganisaties waren bij uitstek nationaal georganiseerd en hun wensen vonden gemakkelijker dan in Duitsland hun weg in het politieke systeem.

GroenLinks komt niet voort uit de milieuorganisaties, maar is een fusieproject van vier kleinere progressieve partijen. Het lag zeer voor de hand om de nieuwe partij bij de oprichting, precies ten tijde van de Eerste Klimaatgolf van 1989, ‘GroenLinks’ te dopen. Maar dat ‘Links’ moest er wel bij.

GroenLinks is in het Nederlandse politieke spectrum de enige partij die zich groen afficheert en daarom is de partij als vanzelf ‘eigenaar’ van het issue. Maar in de dagelijkse praktijk is het voeren van groene politiek lang niet altijd de core business. Bij het twintigjarig bestaan eind 2010 schetste Femke Halsema ‘een toekomstagenda voor progressieve politiek’. In die agenda kwam het woord milieu niet voor, en klimaat slechts in een bijzin. Dat zou de Grünen niet gebeuren. Het is ook tekenend dat er voor GroenLinks eigenlijk altijd maar één groen Kamerlid in de Tweede Kamerfractie zit. En waarom gaat er zoveel meer tijd en energie zitten in het formuleren van een sociale hervormingsagenda dan in een debat over een groot groen plan?

Voor GroenLinks zou een consequent groenere oriëntatie een aantrekkelijk perspectief vormen. De krachtige groene identiteit van de Grünen heeft hen electoraal het laatste decennium de wind in de zeilen gegeven. Het jarenlang voeren van acties, de nauwe banden met de milieubeweging en het werken aan concrete alternatieven betalen zich uit. Maar geen misverstand: dit verordonneer je niet via een besluit van de partijtop. Het vraagt een ingrijpende culturele en politieke omslag van de partij op alle niveaus.

De Grünen hebben zich in Duitsland knap in het politieke centrum gemanoeuvreerd, zonder hun progressieve agenda te verloochenen. GroenLinks zal omwille van de groene zaak, en om electorale redenen, een veel krachtiger vertolker moeten worden van groene issues. Een dergelijke politieke katalysator wordt in Nederland node gemist.

Wijnand Duyvendak

________________________________________________________________________________________

(Joop.nl 22 november 2011)

Pijnlijke stilte rond klimaattop in Durban

Burgers kunnen de klimaatproblemen niet in hun eentje bestrijden

Twee jaar geleden gonsde het van de activiteiten. De klimaattop in Kopenhagen was in aantocht en de symposia, acties, rapporten, ingezonden stukken struikelden over elkaar. Er vertrok zelf een speciale trein met honderden mensen vanaf een grote manifestatie in Utrecht naar de Deense hoofdstad.

De top in Kopenhagen liep uit op een pijnlijke mislukking.

Maandag 28 november gaat in Durban (Zuid Afrika) een nieuwe mondiale klimaattop van start. Het is de laatste kans op een nieuw mondiaal akkoord, omdat het Kyotoprotocol in 2012 verloopt. De vooruitzichten zijn somber. De kans dat er in Durban een krachtige overeenkomst uit rolt, is zeer klein.

Toch is het doodstil.

Wetenschappers publiceren de laatste weken verontrustende rapporten over het tempo van opwarming van de aarde, en de ernstige gevolgen voor de nabije toekomst. Prestigieuze instituten als de IEA (waar oud CDA-minister Van der Hoeven tegenwoordig de scepter zwaait) waarschuwen dat ons minder dan tien jaar rest om de CO₂-uitstoot terug te dringen. Eigenlijk zou er vanaf 2017 al geen enkele kolen- of gascentrale of vervuilende fabriek in de hele wereld bijgebouwd mogen worden, willen we ‘ernstige gevolgen voor de mens’ vermijden. De respons op alle waarschuwingen is gering. De financiële crisis trekt alle aandacht (en Ajax).

Maar er is meer aan de hand. De ontwikkelingsorganisaties hebben hun Nederlandse activiteiten op klimaatterrein teruggeschroefd, mede als gevolg van de bezuinigingen. Milieudefensie legt geen prioriteit meer bij (de) klimaat(toppen), en Natuur en Milieu is zich sterker gaan richten op het bedrijfsleven en minder op de politiek.

Toch is totaal aan activiteiten en initiatieven op het terrein van duurzaamheid fors gegroeid. Dit is te danken aan de  ‘duurzame wij-doen-het-zelvers’ (zoals ik ze in mijn deze week verschenen boek ‘Het groene optimisme – het drama van 25 jaar klimaatpolitiek’) noem. Deze duiken overal op: in bedrijven, gemeenten, en in tal van losse initiatieven. Voor hen staat de oplossing centraal, niet het protest. Hoe zelf energie te besparen? Hoe duurzame energie op te wekken? Aan politiek Den Haag wordt weinig aandacht besteed. Het motto is: klimaatverandering is een probleem maar het is leuk om aan de oplossing ervan te werken en er valt nog geld mee te verdienen ook.

Urgenda organiseerde Dag van de Duurzaamheid en initieerde de actie ’Wij willen zon’. Wubbo Ockels zegt: ‘Je moet de lol van duurzaamheid gaan inzien’. Ode, een blad voor  ‘intelligente optimisten’ verwoordt de nieuwe oriëntatie aldus: ‘Meer is beter. Duurzaamheid draaide altijd om minder: minder afval, minder CO₂. De nieuwe duurzaamheid draait om meer: meer innovatie, meer economische groei, meer goede ideeën’.

In korte tijd is de scope van de milieubeweging veranderd. Ik heb daar zelf ook in volle overtuiging aan bijgedragen als initiatiefnemer van 10:10 The  Energy Challenge die mensen en bedrijven helpt energie te besparen en waarmee we op 10 oktober 2010 ‘Wat doe jij uit?’ organiseerden. Concrete initiatieven, een beweging van onderop, steun en begrip bij veel mensen zijn cruciaal om de grote omslag te kunnen maken, die zo hard nodig is.

Helaas is er een groot gat gevallen. Waar politieke georiënteerde actie, om effectief te kunnen zijn, samen zou moeten gaan met concrete initiatieven van onderop, is er nu bijna geen aandacht meer voor politieke besluitvorming, of het nu Den Haag, Brussel of Durban betreft.

Maar is het niet volstrekt onmogelijk de uitstoot van broeikasgassen met 80 tot 90 procent te verminderen (wat de ambitie is), zonder forse politieke ingrepen? Subsidies op fossiele brandstoffen zullen moeten worden afgeschaft, kolencentrales verboden, energiebesparing verplicht gesteld, hernieuwbare energie gestimuleerd. En omdat alle landen elkaar in een houdgreep houden, zijn mondiale afspraken hierover onmisbaar: landen zullen pas over de brug komen als ze zeker weten dan anderen ook meedoen. Niemand wil gekke Henkie zijn.

Mijn studie van 25 jaar klimaatpolitiek leidt onontkoombaar tot de conclusie dat een vrijwillige aanpak, die dominant is geweest, onvoldoende zoden aan de dijk zet.

Ontgoocheld en vermoeid hebben velen zich van de politiek afgewend. Dat heeft een veelheid aan interessante initiatieven opgeleverd. De maatschappelijke betrokkenheid bij het onderwerp is gegroeid. Maar de volgende stap is de politiek aan te spreken, nu zij zo in gebreke blijft. En laten we ons er maar op voorbereiden: daar is een lange adem voor nodig.

_________________________________________________________________________________________

(Folia Magazine, 22 november 2011)

De tijd zit ons op de hielen

De meeste studenten van de UvA en de HvA zijn rond 1989 geboren: nu 22 jaar geleden. 1989 is het jaar dat premier Lubbers (CDA) samen met milieuminister Nijpels  (VVD) het Nationaal Milieubeleidsplan maakt. Ze zijn op dat moment voortrekkers in het milieubeleid. Het is hun ambitie om binnen één generatie de belangrijkste milieuproblemen op te lossen. Nederland is in deze jaren in de ban van het milieu: het gat in de ozonlaag, de zure regen, en voor het eerst ook van de klimaatverandering.  Wetenschappers hebben berekend dat de uitstoot van CO₂ binnen enkele tientallen jaren met negentig procent omlaag moet.  Bij de Tweede Kamerverkiezingen later in 1989 is milieu het belangrijkste thema. De VVD noemt milieubeleid ´overlevingsbeleid´ en pleit voor ´regulerende heffingen´ en ´gebods- en verbodsbepalingen´. De PvdA vindt inkrimping van het autoverkeer ´onvermijdelijk´.

We zijn nu een generatie verder. De CO₂-uitstoot is niet gedaald, maar met 15 procent gestegen, hernieuwbar energie krijgt in Nederland nauwelijks een poot aan de grond, en het ministerie van Milieu (VROM) is ruim een jaar geleden zelfs opgeheven. De politieke belangstelling voor het onderwerp is tot het nulpunt gedaald. Daarom luidt de ondertitel van mijn boek: ´het drama van 25 jaar klimaatpolitiek´.

Toch heb ik als titel voor mijn boek gekozen voor ´Het groene optimisme´. Er is immers, in weerwil van alle tegenwerking, een generatielang door velen met groot optimisme gewerkt om de klimaatverandering aan te pakken. Door wetenschappers en politici die het probleem tijdens de Eerste Klimaatgolf eind jaren tachtig agendeerden, milieuorganisaties die in de jaren negentig eindeloos alternatieven bleven aandragen, en de vele maatschappelijke initiatieven, bedrijven, en gemeenten die na de Tweede Klimaatgolf (2006) concreet aan de slag zijn gegaan om de vervuilende uitstoot te beperken. Er is wel stuivertje gewisseld. Waar de politiek eerst het voortouw had, hebben maatschappelijke initiatieven nu de lead, en blijft de politiek achter.

De tijd zit ons op de hielen. De opwarming wacht niet op de financiële crisis. Jaar na jaar wordt het warmer, en komen we dichterbij de kritische grens van 2 graden opwarming. Klimaatwetenschappers, maar vorige week ook nog de IEA  (onder leiding van oud CDA-minister Van der Hoeven) waarschuwen ons dat steeds minder tijd rest om de uitstoot van de broeikasgassen te beperken, als we onder de kritische grens willen blijven. Het is als met remmen voor een bocht: des te later je in de rem trapt, des te groter de kans dat je eruit vliegt.

De weerstanden tegen drastische energiebesparing en overstappen hernieuwbare energie zijn groot. Het vraag een ingrijpende omschakeling, op korte termijn een prijs, en met het verstoken van fossiele brandstoffen zijn vele belangen gemoeid. De afgelopen 25 jaar laten zien dat deze weerstanden lastig te overwinnen zijn.

We want it all and we want it now’, zo omschreef oud staatssecretaris van milieu en oud CDA-fractievoorzitter Van Geel de dominante stemming in Nederland, toen ik hem dit voorjaar sprak voor mijn boek. De aanpak van de opwarming vraagt een tegenovergestelde houding.  Compassie en solidariteit zijn een vereiste. Met mensen in ontwikkelingslanden die het eerste, en het hardst getroffen worden, en met volgende generaties, die ook hier de ernstige gevolgen van zullen gaan ondervinden.

Kunnen we deze solidariteit en compassie opbrengen?

De afgelopen 25 jaar is afwisselend gezegd dat dan wel de politiek, het bedrijfsleven, of de consumenten primair verantwoordelijk zijn voor de aanpak van de klimaatverandering. We moeten constateren dat geen van drieën erin geslaagd is om de uitstoot terug te brengen. Het heeft niet zoveel zin de bal tussen deze partijen heen en weer te blijven spelen. Iedereen is aan zet, al zal de politiek de leiding dienen te nemen, want zij bepaalt eindelijk spelregels.

UvA en HvA hebben de afgelopen jaren de eerste voorzichtige stappen op het pad van de duurzaamheid gezet: ambities zijn geformuleerd en bijvoorbeeld bij de nieuwbouw is er aandacht voor. Maar er kan veel meer. Het energieverbruik kan fors omlaag, en op de vele daken passen zonnepanelen. UvA en HvA zouden de ambitie dienen te hebben, de eerste groene hogeschool en universiteit van Nederland te worden. De tijd dringt en we kunnen allemaal aan de slag! Een nieuwe generatie is aan zet!

Wijnand Duyvendak

Het groene optimisme

Uitgeverij Prometheus/ Bert Bakker
Uitvoering: paperback, 360 pagina’s
Prijs: € 29,95
ISBN: 978 90 351 3709 7
Het boek is vanaf 18 november te koop in de (digitale) boekhandel