Terwijl de steun voor het idee van duurzaamheid sterk groeit, stijgt de uitstoot van broeikasgassen net zo snel

– NRC Handelsblad 16 juni 2012; ingekorte versie gepubliceerd –

Het is een knappe vondst, eind jaren tachtig. Een VN-commissie onder leiding van de Noorse premier Brundtland introduceert het idee van ‘duurzame ontwikkeling’.  Het haalt de milieustrijd uit de linkse geitewollensokken hoek, verbindt deze direct met het ontwikkelingsvraagstuk en rekent af met de tegenstelling tussen economische groei en milieu. Economische groei is, ook in de rijke landen, een voorwaarde om armoede op te kunnen heffen, zo is het idee. Maar deze groei moet wel ‘duurzaam’ zijn. ‘De wereld moet strategieën ontwikkelen die haar in staat stellen om het huidige pad van vaak destructieve groei in te ruilen voor duurzame ontwikkeling’.  Regeringsleiders uit de hele wereld onderschrijven in 1992 in  Rio de Janeiro met groot enthousiasme het nieuwe concept. Al zegt president Bush sr.: ‘The American way of life is not negotiable’. Te midden van alle euforie wordt deze waarschuwing nauwelijks gehoord.

De top in 1992 valt in een periode van mondiaal optimisme. De Muur is net gevallen en de verlamming van de Koude Oorlog lijkt doorbroken. Er gloort een nieuwe wereldorde en de gigantische defensiebudgetten kunnen afgebouwd worden. Er lijkt ruimte te ontstaan om verwaarloosde problemen als milieudegradatie en onderontwikkeling aan te gaan pakken. In Rio de Janeiro spreken de regeringsleiders af het verlies aan biodiversiteit, de kap van tropische bossen en de opwarming van de aarde met grote urgentie te gaan bestrijden.

De afgelopen twintig jaar laten zich lezen als een zegetocht van het idee van duurzame ontwikkeling, tegenwoordig vaak afgekort tot ‘duurzaamheid’. Was duurzaamheid begin jaren negentig vooral nog populair in gouvernementele kring en in de milieubeweging, inmiddels formuleert een groot deel van het bedrijfsleven duurzaamheidsambities en kan het in de hele samenleving op veel draagvlak rekenen. Het onttrekt zich opmerkelijk genoeg ook grotendeels aan de links-rechts polarisatie, zoals die op veel andere terreinen te zien is. Talloos zijn de duurzame initiatieven: honderden gemeenten formuleerden eigen klimaatambities, zelf energie opwekken met zon of wind beleeft een hausse, en grote multinationals spannen zich in om hun CO2-uitstoot terug te brengen. Het is een maatschappelijke trend die overigens maar zeer gebrekkig haar vertaling vindt naar de Haagse politiek en de ovale TV-tafels waaraan het maatschappelijk debat gevoerd wordt.

En misschien belangrijker: de zegetocht van het idee van duurzame ontwikkeling heeft niet kunnen voorkomen dat de afgelopen twintig jaar de uitstoot van broeikasgassen met meer dan dertig procent is gestegen, de biodiversiteit sterk is afgenomen, en de kap van bossen in hoog tempo is doorgegaan. De armoede is overigens wel afgenomen, vooral door de opkomst van nieuwe economieën in Azië en Latijns Amerika.

Het is een intrigerend contrast: terwijl de steun voor het idee van duurzaamheid sterk groeit, stijgt de uitstoot van broeikasgassen net zo snel. De rekenmeester van het Planbureau van de Leefomgeving verwachten de komende vijf jaar een stijging van de uitstoot door de grote Nederlandse bedrijven met mogelijk 25 procent.

Eind juni wordt in de Rio de Janeiro ‘Rio + 20’ gehouden, een nieuwe grote mondiale duurzaamheidstop. De euforie is weg, de wereld is nu in de ban van de financiële crisis. De belangstelling voor deze nieuwe top zal veel kleiner zijn dan in 1992. Toen reisden namens de Nederlandse regering maar liefst de ministers Alders (milieu), Pronk (ontwikkelingssamenwerking) en premier Lubbers naar Brazilië af. Eind juni  stappen slechts de staatssecretarissen Atsma en Knapen op het vliegtuig. Regeringsleiders laten zich op de nieuwe top nauwelijks zien. Deze dreigt op een grote mislukking uit te lopen, nieuwe politieke stappen zullen uitblijven.

De ontwikkelingslanden en China beijveren zich er sterk voor om eind juni in Rio de Janeiro niet weer de zoveelste mooie wensenlijst te formuleren.  Ze roepen de wereldgemeenschap op allereerst een grondige analyse te maken van waarom er van de ambities uit 1992 zo weinig is terechtgekomen. Zij vinden hiervoor tot nu toe weinig gehoor. Een scherpe terugblik op de resultaten van de afgelopen twintig jaar ontbreekt in de voorbereidingen. Het Nederlandse platform Rio + 20, waarvan de oprichting door de regering is geëntameerd, stelt zich primair de vraag: ‘Hoe kun je individueel handelen versnellen, zodat we allemaal een groene leider/inspirator worden?’ De nadruk ligt op nieuwe plannen en voornemens, zoals zo vaak in het milieubeleid. De vraag of al die individuele inspanningen tot voldoende effect zullen optellen, wordt niet gesteld. En ook het trekken van lessen is niet de inzet. Terwijl de tijd rijp is te onderzoeken wat de sterke kanten, maar ook wat de zwakke kanten zijn van het  concept van duurzame ontwikkeling.

Duurzaamheid is een optimistisch begrip. Het verbindt economische groei met perspectief voor ontwikkelingslanden, en met ecologische grenzen. Maar het is geen onderscheidend concept. Haar kracht is tegelijkertijd haar zwakte. Het is een mantra geworden dat vrijblijvend aangeroepen kan worden. Duurzaamheid wordt vaak vertaald in de drie p’s: people, planet, profit. Voor alle drie moet aandacht zijn en er moet een juiste balans tussen gevonden worden, is het idee. Het is inderdaad van betekenis dat bedrijven die alleen op winst georiënteerd zijn oog krijgen voor de sociale en milieubelangen, zoals het ook belangrijk is dat milieuorganisaties oog hebben voor de belangen van werknemers en de winstgevendheid van bedrijven. Maar de drie p’s zijn een probleemstelling, geen oplossing of antwoord. Ze vertegenwoordigen alle drie (vaak) tegenstrijdige belangen. Over hoe daar mee om te gaan blijft het antwoord nog open. ‘Duurzaamheid’ is geen concreet commitment.

De politieke context is sinds 1992 ingrijpend veranderd. Het einde van het communisme had, naast de euforie over de nieuwe coöperatieve fase in de wereldgeschiedenis, nog een ander effect: het leidde ertoe dat er in de jaren negentig een zeer krachtige neoliberale wind ging waaien. De politiek moest terugtreden, de markt alle ruimte krijgen. De overheid was het probleem, niet de oplossing.

In Nederland kwam milieuminister Alders (PvdA) in een hard politiek gevecht terecht, nu de ideologische wind draaide. Het was zijn taak om het milieubeleid, dat na het Brundtlandrapport en de top in Rio in het brandpunt van de belangstelling stond, concreet handen en voeten te geven. Alders wilde bedrijven tot strengere uitstootnormen verplichten en regulerende heffingen invoeren op vervuilende brandstoffen. Hij ondervond felle tegenstand van de minister van Economische Zaken Andriessen (CDA) en van de werkgevers, die onder leiding stonden van een jonge Rinnooy Kan. Minister Alders delfde in dit conflict het onderspit; er kwam geen heffing en evenmin uitstootnormen. In plaats hiervan pleitte het uiteindelijke milieuplan van Alders, tegen zijn eigen zin, maar geheel in lijn met de  nieuwe neoliberale tijdgeest voor ‘verschuiving van regelgeving van bovenaf naar zelfregulering binnen kaders’.

De toon voor het Nederlandse klimaatbeleid de daaropvolgende twintig jaar was gezet: subsidies en convenanten kregen de voorkeur boven heffingen en regelgeving. Rinnooy Kan toonde zich een tevreden man: ‘Er hebben de nodige aanvaringen plaatsgevonden maar we zijn tevreden dat Alders is bekeerd tot overleg. We waren bevreesd dat hij harder zou gaan lopen. Die verleiding heeft hij op ons aanraden weerstaan.’

Omdat in het concept van duurzame ontwikkeling de politiek-strategische analyse compleet ontbreekt (Hoe bereiken we een duurzame samenleving? Welke barrières moeten we overwinnen? Wat is de rol van de politiek? En van de markt?) en harde doelstellingen eveneens missen, kunnen begin jaren negentig Rinnooy Kan en Andriessen, en later Margreet de Boer, Wim Kok, Jacqueline Cramer, Wouter Bos en Jan Peter Balkenende, allemaal uitroepen te kiezen voor een ‘duurzame ontwikkeling’. De keuze verplicht niet, is geen richtsnoer voor concreet handelen.

Peter Bakker is als topman van TNT een van de voormannen van de duurzaamheidsgolf die vanaf 2005 het bedrijfsleven overspoelt. Hij etaleert een aantrekkelijk optimisme. Inmiddels teruggetreden, schrijft hij in NRC Handelsblad van 22 mei: ‘Duurzame consumptie gaat om slimmer en doelmatiger consumeren. Hierbij bespaart de consument geld en gaat zijn leven erop vooruit’. Ode, het blad voor ‘intelligente optimisten’ dat eenmaal per kwartaal wordt meegezonden met NRC Handelsblad schrijft: ‘Meer is beter. De nieuwe duurzaamheid draait om meer: meer innovatie, meer economische groei, meer goede ideeën’.

De behoefte om de baten van duurzaamheidsbeleid te benadrukken is begrijpelijk Een optimistisch verhaal trekt volle zalen. Maar het is niet zonder risico. Het debat zou zo op het verkeerde been gezet kunnen worden. Als alleen de baten van het duurzaamheidsbeleid in beeld worden gebracht, dan wordt het lastig om burgers en bedrijven de kosten ervan alsnog voor te schotelen. De aanpak van de milieucrisis kent een prijs en is niet alleen maar een groot feest. Het concept van duurzame ontwikkelingen brengt deze kosten niet in beeld. Maar ze zijn er natuurlijk wel (al zijn de kosten van nietsdoen op termijn veel hoger). Eindeloos veel vliegen, grote en zware auto’s rijden, het tart de ecologische grenzen.  Vervuilende industrieën zullen moeten krimpen. Dat doet ook onvermijdelijk pijn. Een juichende boodschap is overigens geen voorwaarde om grote groepen mensen mee te krijgen. Dat is een hardnekkig misverstand. Wat mensen vragen is een plan, het vertrouwen dat er een oplossing is en duidelijkheid over de weg ernaartoe.

’10 – 7 – 1’ is een code die staat voor de dilemma’s in het klimaatbeleid. 10 ton CO2 is de hoeveelheid die een gemiddelde Nederlander per jaar produceert. 1 ton CO2 is de uitstoot die we ons in 2050 nog kunnen permitteren. Dit is een enorme reductieopgave. Mensen kunnen zelf door gedragsveranderingen en aanpassingen in hun huis maximaal 3 ton uitstoot besparen. 7 ton CO2 is de hoeveelheid die dan nog resteert. Om van 7 naar 1 ton te komen is een vorm van politieke interventie onmisbaar: zeer strenge normen van auto’s en elektrische apparaten, een belasting op (rund)vlees, aanpassingen van elektriciteitsnet zodat er veel meer energie met zon en wind kan worden opgewekt, etc. Zonder ingrepen van de politiek op het terrein van normen, prijsstelling en de aanleg van infrastructuur is het volstrekt onvoorstelbaar hoe we in enkele decennia een reductie met negentig procent zouden kunnen realiseren.

Noem het  ecologische politisering:  het besef dat krachtige politieke maatregelen broodnodig zijn en dat daar voor betaald moet worden. Wanneer de politiek niet snel de duurzame golf krachtig gaat ondersteunen, zal deze de komende jaren onvermijdelijk aan kracht gaan verliezen. De barrières die ze moet overwinnen zullen te groot worden. We zullen bereid moeten zijn onze manier van leven, van consumeren en produceren aan te passen. Dit roept onvermijdelijk vele weerstanden op, denk aan de uitspraak van president Bush sr. in 1992 in Rio de Janeiro.

‘Rio + 20’ dreigt voor de noodzakelijke ecologische politisering een gemiste kans te worden. Regels die het milieu beschermen en ontwikkeling stimuleren zullen er niet worden vastgelegd. Fossiele brandstoffen zullen niet duurder worden.

Een volgende testcase, zij het op andere schaal, zijn de Nederlandse verkiezingen op 12 september. Neemt Nederland dan weer de lead, zoals ze ook in Rio de Janeiro in 1992 er hard aan trok en zeer prominent aanwezig was?

Wijnand Duyvendak