De neerwaardse golfbeweging van het Nederlandse klimaatbeleid

– Milieu – VVM  februari 2012 –

EGBERT TELLEGEN

In December 2009 reist Wijnand Duyvendak in de speciale Kopenhagen Express terug naar Nederland. De verwachtingen van de klimaatconferentie die daar plaats vond waren vóóraf tot ongekende hoogte opgestuwd, maar na afloop restte slechts de kater van het uitblijven van resultaten. Duyvendak vraagt zich af wat er mis is gegaan sinds klimaatverandering op de politieke agenda’s kwam te staan. Zelf was hij als activist bij Milieudefensie en als kamerlid voor Groenlinks bij de ontwikkeling van het klimaatbeleid betrokken. Nu besluit hij om afstand te nemen en onderzoek te gaan doen, met als resultaat zijn onlangs verschenen boek ‘Het groene optimisme’. ‘Kopenhagen’ is niet door ‘Den Haag’ mislukt, maar toch gaat het boek uitsluitend over Nederlands klimaatbeleid en laat het activiteiten van de Europese Unie en andere internationale ontwikkelingen buiten beschouwing. Belangrijke bronnen van informatie  waren de archieven van milieuorganisaties en 18 interviews met  klimaatwetenschappers, ambtenaren van het voormalige ministerie van VROM en 5 oud ministers en 1 staatsecretaris die eens verantwoordelijk waren voor het milieubeleid.

Het klimaatbeleid is in de afgelopen 25 jaar aan een golfbeweging onderhevig geweest. In die beweging waren er twee pieken. De eerste vond plaats tussen 1987 en 1989 en de tweede tussen 2006 en 2009. De grootste kracht van dit boek is de manier waarop met behulp van interviews met betrokkenen een beeld wordt geschetst van het krachtenveld achter de op en neer gaande beleidsurgentie van het klimaatvraagstuk. Daarbij was niet alleen de rol van de milieuminister maar ook die van de minister president van grote invloed. Premier  Lubbers was bij de eerste klimaatgolf een grote steun voor milieuminister Nijpels, maar later, toen de tegenkrachten sterker werden, was hij dat niet voor minister Alders. Premier Kok is nooit een milieuman geweest en de milieuministers de Boer en Pronk werden door hem niet gesteund. Toen iemand tegen hem zei dat hij een man van staal en beton was zei hij: ‘Daar krijg ik inderdaad een goed gevoel bij, dat is gemaakt, dat kun je aanraken’.

Als een rode draad loopt door het boek de tegenstelling tussen de voormalige ministeries van milieu (VROM) en van economische zaken (EZ). Als de grootste dwarsligger bij EZ komt de tegenwoordige voorzitter van Natuurmonumenten Hans Wijers naar voren. Bij het Verbond van Nederlandse ondernemers (VNO) was voorzitter Alexander Rinnooy Kan zo’n notoire dwarsliggen. EZ was voor, op basis van vrijwilligheid overeengekomen, convenanten terwijl VROM voor dwingende regels en heffingen was. Het is overigens interessant dat in een tijd van grote consensus over de ernst van de milieuproblematiek, zoals aan het einde van de jaren tachtig, convenanten wel effectief waren, maar in een tijd waarin die consensus ontbrak niet meer.

Opvallend is dat de georganiseerde milieubeweging bij het klimaatbeleid een betrekkelijk ondergeschikte rol speelde. Bij de eerste klimaatgolf werd ze dwars gezeten door de angst dat het klimaatvraagstuk gebruikt zou worden om toepassing van kernenergie te bevorderen. Bij de tweede piek werd ze voorbijgestreefd door een grote variëteit van activiteiten van ‘duurzame wij-doen-het zelvers’. Milieuminister Cramer, oud voorzitter van Milieudefensie, maar ook een van de eersten die met bedrijven ging samenwerken, was ook meer een exponent van die nieuwe ontwikkeling dan van de bestaande milieuorganisaties.

Een steeds weer terugkerend thema is dat milieuorganisaties hun ideologische veren moesten afschudden om een rol van betekenis te kunnen spelen. Dat begon al in de jaren zeventig toen de kritiek op de kapitalistische economie en het daaraan inherente streven naar economische groei moest plaatsmaken voor het streven naar ecologische modernisering, en later naar duurzame ontwikkeling, waarin economische groei en milieubescherming samengaan.

Cijfers laten zien dat er van de doelstellingen van het Nederlandse klimaat in 25 jaar weinig terecht is gekomen. De nagestreefde  stabilisering,  laat staan daling, van de COemissies is niet bereikt. Tussen 1990 en 2010  is de CO2 uitstoot gestegen van  159 megaton tot 182 megaton. Bovendien is er van de eens bestaande consensus over de urgentie van de milieuproblematiek niets meer over. Wat lijkt het lang geleden dat de VVD minister van verkeer en waterstaat, Neelie Smit-Kroes, uitriep: ‘Plompverloren asfalt uitstorten over Nederland heeft geen zin meer. De struisvogel die over enkele jaren zijn hoofd weer uit het zand haalt, zal dan merken omringd te zijn door een walmende stinkende blikmassa’.

Zwak is het boek als het over de periode gaat die aan de onderzochte 25 jaar voorafging. Zo wordt de Club van Rome ‘een samenwerkingsverband van milieudeskundigen’ genoemd. Maar dat is dit gezelschap van prominente lieden uit wetenschap en bedrijfsleden nooit geweest. Ook wordt ten onrechte de boodschap van het rapport van de Club van Rome gelijkgesteld aan het signaal dat bijna twee jaar later van de oliecrisis uitging. Als gevolg van die crisis werd het idee van ‘grenzen aan de groei’ verengt tot het verschijnsel  olieschaarste dat bovendien weer voorbij ging.

Een belangrijker bezwaar betreft hetgeen Duyvendak over de maatschappelijke context van het milieubeleid schrijft. Hij levert terecht kritiek op het idee van ecologische modernisering als dat neerkomt op de gedachte dat milieuproblemen buiten de overheid om door de zelfwerkzaamheid van burgers kunnen worden opgelost. In plaats daarvan is ecologische politisering volgens hem onmisbaar. Maar van enige kritiek op de maatschappelijke context van die politieke ecologisering is bij hem geen sprake. We moeten af van de grote verhalen en de kapitalistische economie net zo goed aanvaarden als de democratie. Hij staat daarmee niet alleen. Van milieuorganisaties wordt ook in tijden van economische crisis vrijwel niets vernomen van kritiek op de vigerende economische orde. Maar die economische orde is van grote invloed op het energiegebruik en de daardoor veroorzaakte klimaatverandering. Daarover zwijgen is handelen als een hartchirurg die niets wil weten van de algehele lichamelijke toestand van een te opereren patiënt omdat hij geen boodschap heeft aan de holistische verhalen van een internist. Gewoon pragmatisch het mes erin zetten en verder geen gezeur. Ik denk dat Duyvendaks eigen radicale verleden hem hier dwars zit. Maar zijn boek wordt er niet minder interessant door. Het biedt een soms fascinerende kijk achter de schermen, het stimuleert tot nadenken en nodigt uit tot tegenspraak. Wat wil je als lezer nog meer?

Egbert Tellegen

Egbert Tellegen (e.tellegen@uu.nl) is docent sociologie en milieu aan de Universiteit Utrecht. In 2010 publiceerde  hij bij Amsterdam University Press het boek ‘Groene herfst. Een halve eeuw milieu’.