Op zoek naar de macht

– Trouw 13 december 2011 –

Nu in ‘Durban’ de noodzakelijke doorbraak is uitgebleven zijn meer dan ooit landen, bedrijven, gemeenten, actiegroepen én burgers aan zet om ons energieverbruik schoner te maken. Er is in Nederland een duurzaamheidsbeweging in opkomst, die onder meer in de Duurzame top 100 gezicht kreeg. Maar Trouw kwam  dit jaar ook met een verkiezing van ‘de grootste tegenwerkers van de duurzaamheidsbeweging’.  De cruciale vraag die zich opdringt is hoe de mensen en organisaties uit de Duurzame top 100 zich dienen te verhouden tot de tegenwerkers, willen ze een doorbraak kunnen bereiken.

Duurzaamheid is onmiskenbaar de laatste jaren veel dieper in de samenleving verankerd. Voortbouwend op het werk van de traditionele milieuorganisaties hebben de, wat ik in mijn boek Het groene optimisme noem, ‘duurzame wij-doen-het-zelvers’ het voortouw genomen. Bij hen staat de oplossing centraal, niet het protest. Klimaatneutrale gemeenten, bedrijven met groene ambities, en vele maatschappelijke initiatieven vormen deze krachtige beweging. Aan politiek De Haag wordt niet veel aandacht besteed. Zoals Boudewijn Poelman van de Postcodeloterij in Trouw enthousiast vertelt over de zonnepanelen die hij op zijn dak heeft geïnstalleerd: ‘Als iedereen dat nu doet is het energieprobleem opgelost’. Het optimisme van de duurzame wij-doen-het-zelvers  is aanstekelijk. Hoogleraar Pier Vellinga zegt in mijn boek: ‘Groene banen en economische competitie: klimaatverandering komt eraan dus grijp je kansen. We zijn met Kopenhagen het kritische punt gepasseerd’.

De vraag is of dit optimisme gerechtvaardigd is.

De klimaatpolitiek is in 2011 vijfentwintig jaar oud. Eind jaren tachtig was het de ambitie om in 2010 de CO₂-uitstoot met twintig tot dertig procent te hebben teruggebracht. Dat is mislukt. Hij is bijna vijftien procent gestegen. De tegenwerkers  hebben een hele kwart eeuw een effectief klimaatbeleid weten te verhinderen.

Dè grote tegenwerker is de werkgeversvereniging VNO/NCW geweest. Begin jaren negentig al voert de jonge werkgeversvoorzitter Rinnooy Kan de lobby tegen een heffing op energieverbruik aan: ‘We moeten niet voorop willen lopen met verdergaande maatregelen. Daar komt bij dat het broeikaseffect zeker niet onomstreden is’. Zijn opvolger Blankert waarschuwt in 1997 voor het Kyotoprotocol. Er zijn ‘gigantische maatregelen nodig’, ‘paardenmiddelen’,  en ‘ik hoef u niet uit te leggen wat dat voor consequenties voor de werkgelegenheid heeft’. Zijn opvolger Wientjes verklaart bijna tien jaar later: ‘Straks zijn wij het enige land dat zich braaf aan Kyoto houdt. Bepaalde ontwikkelingen in het milieu moeten we accepteren’.

Verhagen en Bleker zijn op dit moment de zichtbaarste tegenwerkers. Voor hen is het een ideologisch geladen conflict en Verhagen keert zich scherp tegen de duurzaamheidsbeweging:  ‘Het zogenaamde ‘redden van de aarde’ zou moeten worden afgedwongen door wetten, normen en regels, die worden opgelegd door een bureaucratische staat’.  De aanpak van het milieu is ‘antikapitalistisch, antiboeren, antiboeren’. Verhagen sluit nauw aan bij de rechtse denktanks in de Verenigde Staten: het milieu wordt gezien als een links project – ze spreken over ‘reds dressed in green’ – waarvan de agenda is om de macht van de staat te vergroten en de vrijheid van het bedrijfsleven te beknotten. Mensen die ijveren voor milieubehoud worden door deze rechtse critici vergeleken met watermeloenen: ‘groen van buiten maar rood van binnen’.

De CO₂-uitstoot moet op korte termijn met tientallen procenten omlaag. Tot nu toe formuleren de duurzame wij-doen-het-zelvers nu hun ambities allemaal op het niveau van hun eigen project: 5.000 zonnepanelen, LED-lampen in de straatlantaarns, of twintig procent energie besparen in eigen kantoor.

Onvermijdelijk zullen ze moeten gaan samenwerken aan ambities die de reikwijdte en de slagkracht van de eigen project of organisatie overstijgen. Boudewijn Poelman zal zich af moeten gaan vragen hoe hij de kolencentrales stopt en een complete ombouw van ons elektriciteitsnet gerealiseerd krijgt. Om de uitstoot te beperken zijn fors hogere prijzen voor fossiele energieverbruik en lagere voor hernieuwbare energie onmisbaar.

‘Concentreer je op de koplopers en laat de achterblijvers het maar uitzoeken. Of dat nu burger of bedrijven zijn, of de politiek’, aldus Jan Rotmans, één van de inspirerende voormannen van de duurzame wij-doen-het-zelvers. Is dit niet heel naïef?  De duurzaamheidsbeweging zal de weg naar de economische en politieke macht dienen te zoeken, opdat VNO/NCW en Verhagen de grond onder voeten verliezen.

De vormgeving van deze krachtmeting is de grote opgave voor de duurzaamheidsbeweging.  Wordt deze uit de weg gegaan, dan dreigt er weer 25 jaar verloren te gaan en zullen de duurzame wij-doen-het-zelvers veroordeeld zijn tot een bestaan in de relatieve marge.

Ze verdienen zoveel meer.

Wijnand Duyvendak